<?xml version='1.0' encoding='UTF-8'?>
<rss version='2.0'>
	<channel>
		<title>Onderzoekschool Mediëvistiek</title>
		<link>http://medievistiek.nl</link>
		<description></description>
		<generator>Cotonti</generator>
		<language>nl</language>
		<pubDate>Thu, 23 Feb 2012 00:39:38 +0000</pubDate><item>
			<title>Reading and Understanding of sources in Old and Medieval French</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<strong><img alt="old and medieval french" src="http://medievistiek.nl/datas/users/manuscriptme_3.png" style="width: 250px; height: 150px; margin-right: 4px; margin-left: 4px; float: left;" />24-26 September 2012 - Reading and Understanding of sources in Old and Medieval French. </strong></p>
<p>
	<br />
	Crash course organized by the Henry Pirenne Institute (University of Ghent) in cooperation with de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek and Society for the Study of Medieval Languages and Literature (Oxford). Information: Martin de Ruiter ozsmed@rug.nl. The preliminary programme can be found on the page for the <a href="http://medievistiek.nl/school/PhD-Rema-Opleiding" target="_blank">PhD- and Rema-studies</a> on this website.</p>]]></description>
			<pubDate>Sun, 29 Jan 2012 20:22:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/42]]></link>
		</item><item>
			<title>Utrecht Research Seminars Medieval Latin</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<img alt="codex amiantinus" src="http://medievistiek.nl/datas/users/ezra_codex_amiantinus_3.jpg" style="width: 150px; float: left; border-width: 0px; border-style: solid; margin: 0px 4px; height: 240px;" />De Universiteit Utrecht biedt een aantal cursussen aan die ook open staan voor studenten van andere universiteiten.</p>
<p>
	Een selectie van deze cursussen is te vinden op de pagina voor de <a href="http://medievistiek.nl/school/PhD-Rema-Opleiding" target="_blank">PhD- en Rema-opleiding</a> op deze website.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<p>
	Utrecht University offers courses that are open to students from other universities as well. A selection can be found on the page for the <a href="http://medievistiek.nl/school/PhD-Rema-Opleiding" target="_blank">PhD- and Rema-studies</a> on this website.</p>]]></description>
			<pubDate>Sat, 21 Jan 2012 13:10:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/41]]></link>
		</item><item>
			<title>Masterclass 'Ontdekking van de Middeleeuwen' een succes</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<img alt="masterclass ontdekking van de middeleeuwen" class="image" src="http://medievistiek.nl/datas/users/plaatje_master_class_3.jpg" style="margin-left: 4px; margin-right: 4px; margin-top: 4px; margin-bottom: 4px; float: left; width: 250px; height: 188px; " />Vrijdag 2 december organiseerde de Onderzoekschool een geslaagde Masterclass over de <em>Ontdekking van de Middeleeuwen</em> van Peter Raedts. De auteur lichtte de bedoeling van zijn boek toe. Onder leiding van Catrien Santing werden de recensies die de deelnemers van het boek schreven besproken. De winnende recensie van&nbsp; Frans Camphuijsen verschijnt in het loop van het jaar in de <em>BMGN/ Low Countries Historical Review.</em> Als voortzetting van de discussie over de Werdegang van de Middeleeuwen als cultuurperiode en haar bestudering, organiseert de Onderzoekschool in mei een atelier over de Toekomst van de medi&euml;vistiek. De exacte datum volgt zo spoedig mogelijk.</p>]]></description>
			<pubDate>Mon, 02 Jan 2012 13:50:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/40]]></link>
		</item><item>
			<title>Vacature Universitair docent Oude en Middeleeuwse Geschiedenis (0,8 fte)</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<strong>Faculteit der Letteren, Radboud Universiteit Nijmegen</strong></p>
<p>
	<strong>Vacaturenummer: 23.39.11 Sluitingsdatum: 07-01-2012</strong><br />
	&nbsp;<br />
	<br />
	De Opleiding Geschiedenis zoekt een universitair docent die participeert u in het onderwijsprogramma op alle niveaus. In het bijzonder verzorgt hij of zij onderwijs voor de afstudeerprofielen Oude &eacute;n Middeleeuwse Geschiedenis, oefent onderwijsondersteunende taken uit en draagt actief bij aan vernieuwing van het curriculum Geschiedenis. De studierichting Geschiedenis hanteert het systeem van Student-Activerend Onderwijs.<br />
	Van de kandidaten wordt een actieve onderzoeksbelangstelling gevraagd, die zich uit in nieuwe initiatieven en betrokkenheid bij het facultaire onderzoeksprogramma. Uw onderzoeksexpertise sluit aan bij het onderzoeksprofiel van de groep Oude en Middeleeuwse Geschiedenis en verbindt een aantal van de binnen de groep aanwezige specialiteiten.</p>
<p>
	Meer informatie kunt u vinden op: <a href="http://www.ru.nl/vacatures/details/details_vacature_0?recid=507076%20?" target="_blank">http://www.ru.nl/vacatures/details/details_vacature_0?recid=507076%20?</a></p>
<p>
	&nbsp;</p>
<p>
	&nbsp;</p>]]></description>
			<pubDate>Mon, 19 Dec 2011 16:34:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/39]]></link>
		</item><item>
			<title>Promotieplaatsen</title>
			<description><![CDATA[<h4>
	Zes promotieplaatsen, Hamburg</h4>
<br />
De&nbsp;Graduate School of the Centre for the Study of Manuscript Cultures (CSMC) in Hamburg heeft plaats voor zes promotieplaatsen van drie jaar.<br />
Start in april 2012. Deadline aanmelding sollicitatie: 31 december 2011. Zie <a href="http://www.manuscript-cultures.uni-hamburg.de" target="_blank">hier</a> voor meer informatie.]]></description>
			<pubDate>Fri, 02 Dec 2011 16:33:31 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/vac/38]]></link>
		</item><item>
			<title>Tijd-Schrift. Heemkunde en lokaal-erfgoedpraktijk in Vlaanderen</title>
			<description><![CDATA[Vorig weekend werd <em>Tijd-Schrift. Heemkunde en lokaal-erfgoedpraktijk in Vlaanderen</em> voorgesteld, het nieuwe tijdschrift van Heemkunde Vlaanderen vzw. Het heeft een dubbele ambitie: de versterking van de specifieke meerwaarde van heemkunde/lokale geschiedenis als inhoudelijke discipline en sociale praktijk in het hedendaagse erfgoedveld&nbsp;enerzijds &eacute;n&nbsp;het dichten van de kloof tussen academische historici/wetenschappers, vrijetijdshistorici en erfgoedwerkers anderzijds. In <em>Tijd-Schrift</em> verschijnen artikels van wetenschappelijk niveau, die worden beoordeeld door een gemengde redactieraad. <em>Tijd-Schrift</em> zal driemaal per jaar verschijnen en telkens worden gewijd aan een specifiek thema.<br />
Het eerste themanummer van <em>Tijd-schrift</em> is gewijd aan dans en vermaak. Bij wijze van kennismaking&nbsp;kan dit nummer integraal online worden bekeken en/of gedownload via <a href="http://tijd-schrift.be/?p=185" target="_blank"><u>http://tijd-schrift.be/?p=185</u></a>. Vooraan in dit nummer wordt het opzet van het tijdschrift uit de doeken gedaan.<br />
In 2012 worden themanummers gepland rond &lsquo;helden, &lsquo;erfgoed en migratie&rsquo; en &lsquo;historische geografie&rsquo;. Zelf een artikel schrijven voor Tijd-Schrift? Bezorg je suggestie met korte abstract aan de redactieraad <a href="http://medievistiek.nl/mailto:redactie@tijd-schrift.be"><u>redactie@tijd-schrift.be</u></a><br />]]></description>
			<pubDate>Tue, 29 Nov 2011 15:11:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/32]]></link>
		</item><item>
			<title>Organisatie van het onderzoek aan de deelnemende instellingen</title>
			<description><![CDATA[test]]></description>
			<pubDate>Fri, 04 Nov 2011 09:31:50 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/research/31]]></link>
		</item><item>
			<title>Organisatie van het onderzoek aan de deelnemende instellingen</title>
			<description><![CDATA[<strong>Rijksuniversiteit Groningen</strong><br />
&nbsp;<br />
De Middeleeuwen worden aan de Rijksuniversiteit Groningen zowel in de tijd als geografisch breed opgevat. Ze lopen van ca. 200 (de kerstening van Europa) tot ca. 1600 (vroegmoderne tijd). Het geografisch gebied omvat Noord-Europa (IJsland, Scandinavi&euml;, de Oostzee), Oost-, West- en Zuid-Europa, en het Middellandse-Zeegebied (incl. het Nabije Oosten en Byzantium).<br />
Aan de letterenfaculteit is het literair en historisch (inclusief kunsthistorisch) onderzoek ondergebracht in het Instituut voor Cultuurwetenschappelijk Onderzoek Groningen (ICOG). Het ICOG is niet chronologisch, naar periode, maar thematisch ingedeeld. De thematische velden worden bemand door leden van de in het ICOG participerende onderzoekscholen, waaronder de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek. Er bestaat ook een nauwe samenwerking met de Universiteitsbibliotheek, die niet alleen de website van de Onderzoekschool beheert, maar ook beschikt over een collectie handschriften en oude drukken, die onder het curatorschap van Gerda Huisman beschikbaar zijn voor opleidingsdoeleinden.&nbsp;Er wordt eveneens medi&euml;vistisch onderzoek verricht aan de Faculteiten Rechtsgeleerdheid, Godgeleerdheid en Wijsbegeerte. De medi&euml;visten daar zijn ondergebracht in eigen onderzoeksinstituten. Ze zijn echter vrijwel allen lid van de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek.<br />
Er bestaat binnen de letterenfaculteit voor de periode late middeleeuwen-vroegmoderne tijd een onderzoekszwaartepunt, waaraan inhoud wordt gegeven samen met de lokale Onderzoekschool Geesteswetenschappen Groningen (OGWG). De onderzoekstijd van sommige hoogleraren is verdeeld tussen OGWG en de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek. OGWG biedt een programma aan voor promovendi waaraan ook Groningse medi&euml;visten kunnen deelnemen. Promovendi op middeleeuwse onderwerpen volgen in overleg een verplicht programma van seminars dat zwaluwstaart met het opleidingsprogramma van de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek.&nbsp;<br />
De volgende medi&euml;vistische vakgebieden worden in Groningen door leden van de school op leerstoelniveau beoefend: Geschiedenis (Catrien Santing en Dick de Boer), Rechtsgeschiedenis (Bernard Stolte, thans directeur KNIR, Rome), Filosofie (Lodi Nauta), Latijn (Onno Kneepkens), Romaanse Talen (Philiep Bossier), Engels (Sebastian Sobecki en Alasdair MacDonald), Semitische Talen (Wout van Bekkum) en Nederlands (Bart Ramakers). (De benoemingen van Santing en Sobecki maken deel uit van dakpanconstructies; hun oudere collega&rsquo;s De Boer en MacDonald gaan binnen afzienbare tijd met emeritaat.) Momenteel loopt een opvolgingsprocedure voor de (gehalveerde) leerstoel Middeleeuws Latijn die sinds het emeritaat van Onno Kneepkens in 2009 vacant is. Door de komst van Sabrina Corbellini als Rosalind Franklin Fellow (een traject dat op termijn moet leiden tot een hoogleraarschap) is de aandacht voor de middeleeuwse boek- en leescultuur, die na het vroegtijdig overlijden van Jos Hermans in 2007 dreigde te verdwijnen, voor Groningen behouden. Verder maken de Middeleeuwen deel uit van de leeropdrachten van de hoogleraren Kunstgeschiedenis, Algemene Literatuurwetenschap en Fries. De betreffende leerstoelhouders zijn echter geen lid van de school. Behalve de hoogleraar kunstgeschiedenis (Henk van Veen) richten zij zich ook op andere perioden. Aan verschillende van de leerstoelen zijn uiteraard medi&euml;visten als universitair (hoofd)docent verbonden. Enkele specialismen zijn niet op hoogleraars- maar wel op u(h)d-niveau vertegenwoordigd. We vermelden hier in het bijzonder het Neolatijn (Zweder von Martels).<br />
Het Groningse medi&euml;vistische onderzoek richt zich primair op de late Middeleeuwen en de zestiende eeuw en is multidisciplinair van opzet (hoewel er uiteraard ruimte is voor de beoefening van individuele specialismen en de bestudering van vroegere perioden). Het concentreert zich op het thema &lsquo;cultural en intellectual transfer&rsquo; en houdt zich bezig met vragen van transmissie en mobiliteit van mentaliteiten en idee&euml;n, in geografische, institutionele, mediale en biografische zin. Het thema krijgt in sociaal-economische zin invulling in de aandacht voor handel en daaruit voortvloeiende culturele contacten binnen de Hanze (het Hanze Studie Centrum), waarbij de nadruk geografisch gesproken ligt op Noord-Europa. Transmissie in intellectuele en artistieke zin (van studenten, wetenschappers, tekstdragers) breidt zich ook naar het westen (Groot-Brittanni&euml;) en zuiden (Frankrijk, Spanje, Itali&euml;) uit, tot in het Nabije Oosten. Rome en Florence zijn steden waarop in het bijzonder de aandacht is gericht (Geschiedenis, Kunstgeschiedenis, Romaanse Talen). Daarnaast is er aandacht voor de omstandigheden (instituties) en middelen (teksten, methoden) van lokale transmissie (kennisoverdracht door onderwijs, religieuze vorming via literatuur &ndash; toneel, po&euml;zie, preken, hagiografie, etc.) Aandacht voor transmissie kenmerkt ook het onderzoek naar de functie van taal en van vertalingen dat door medi&euml;visten binnen de faculteiten letteren en wijsbegeerte wordt verricht. Men voelt een bijzondere verantwoordelijkheid voor de transmissie van kennis en cultuur binnen, vanuit en n&aacute;&aacute;r de Noord-Oostelijke Nederlanden (het IJsselgebied).<br />
Naast senior onderzoekers zijn verschillende promovendi en postdocs op medi&euml;vistisch terrein werkzaam. Enkele promotieprojecten worden gefinancierd uit universitaire gelden. De volgende projecten worden uit de tweede geldstroom gesubsidieerd: ERC Starting Grant &lsquo;Holy Writ and Lay Readers. A Social History of Vernacular Bible Translations in the Late Middle Ages&rsquo; (Sabrina Corbellini); NWO VICI-project &lsquo;Humanists as Philosophers: The Place of Renaissance Humanism in the History of Thought&rsquo; (Lodi Nauta); NWO Urbanisatie en Stadscultuur &lsquo;The town as a &lsquo;body social&rsquo;, 1300-1650&rsquo; (Dick de Boer en Bart Ramakers). Groningse collega&rsquo;s doen volop mee aan de internationalisering van de school, die eveneens mogelijk is door subsidies van NWO. Momenteel wordt &eacute;&eacute;n internationaliseringsproject vanuit Groningen geco&ouml;rdineerd. Het gaat om een samenwerkingsprogramma met de Ruhr Universit&auml;t Bochum met als titel &lsquo;The Modern Devotion as a vehicle of reflection and education and an instrument of social and cultural cohesion within a German-Dutch trans-regional context, ca. 1350-ca.1580&rsquo; (co&ouml;rdinatie Dick de Boer).<br />
&nbsp;<br />
Bart Ramakers<br />
(mei 2010)<br />
<br />
<strong>Universiteit Leiden</strong><br />
&nbsp;<br />
Sinds september 2008 bestaat&nbsp; de Leidse Letterenfaculteit niet meer, maar is samen met de Faculteiten Wijsbegeerte, Godsdienstwetenschappen en Kunsten opgegaan in een nieuwe Faculteit der Geesteswetenschappen. Het Letteren-gedeelte van de nieuwe Faculteit heeft daardoor een aanzienlijke reorganisatie doorgemaakt, waarbij tientallen banen op de tocht staan. Het medi&euml;vistisch onderzoek is in de nieuwe situatie verdeeld over diverse instituten. Wat de onderzoeksorganisatie betreft, Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd zijn samengegaan, waarbij de focus ligt op de periode 1300&ndash;1700. Deze fusie wordt ook zichtbaar in het onderwijs, dat faculteitsbreed (van Bachelor tot Master) behoorlijk is herordend, waardoor trouwens de Medi&euml;vistiek veel zichtbaarder is geworden in de vorm van een minor. Met de komst van Erik Kwakkel (zie onder) heeft Leiden weer een codicoloog in haar midden met een vaste aanstelling. Daar zal niet alleen de Leidse medi&euml;vistiek van profiteren, maar, naar zich laat aanzien, ook de Onderzoekschool. Hieronder volgt een niet-uitputtende beschrijving van het Leidse medi&euml;vistische onderzoek.<br />
De sectie Middeleeuwse Geschiedenis bij de Opleiding Geschiedenis telt op dit moment (oktober 2010) vier vaste medewerkers (3,4 fte), een bijzonder hoogleraar, drie aio&rsquo;s en twee postdocs. Het onderzoek van de hoogleraar (Peter Hoppenbrouwers) richt zich op ethniciteit en protonatievor-ming in de middeleeuwen, en daarnaast op de sociale en economische geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden (met name het graafschap Holland en het hertogdom Brabant) in de 14de&ndash;16de eeuw. Sedert 2009 leidt hij, samen met bijzonder hoogleraar Hans Mol, het NWO Vrije Competitie-programma &lsquo;Twilight zone: party strife, factionalism and feuding in the Northern Low Countries in the late Middle Ages&rsquo;. Hieraan zijn twee aio&rsquo;s en een postdoc verbonden, die zich bezighouden met deelprojecten over respectievelijk de Friese vetemaatschappij (Matthijs Gerrits), factievorming en partijstrijd in Utrecht (Justine Smithuis) en adelspartijen en private oorlogvoering in Gelre (Aart Noordzij). Verder is Hans Mol als bijzonder hoogleraar werkzaam op het gebied van de Friese landen in de middeleeuwen. Zijn onderzoek richt zich op de Friese kloosters en op de religieuze ridderorden. Zijn aio Rombert Stapel werkt aan een studie over de zogeheten &lsquo;jonge hoogmeesterkroniek&rsquo; van de Duitse Orde. Van de vaste medewerkers houdt Antheun Janse zich vooral bezig met de Hollandse historiografie van de late middeleeuwen. De vorming van een bovengewestelijke eenheid in de Nederlanden tussen 1380 en 1480 staat centraal in het onderzoek van Robert Stein (0,9 fte), dat moet uitmonden in een nieuwe synthese over de Bourgondische eenwording. Het onderzoek van Louis Sicking (0,5 fte) heeft voornamelijk betrekking op de maritieme en expansiegeschiedenis van de late middeleeuwen, in het bijzonder van de kustgewesten van de Lage Landen. Deelthema&rsquo;s zijn de Nederlandse zeescheepvaart in de zestiende eeuw en de Noors-Nederlandse betrekkingen omstreeks 1500. Postdoc Justyna Wubs-Mrozewicz vat per 1 februari 2011 haar VENI-project &lsquo;Dealing with foreign traders, dealing with conflict. Strategies of conflict resolution and their role in trade relations in the Baltic, c. 1450&ndash;1580&rsquo; aan. Aio Annemieke Verboon promoveerde in 2010 op Lines of thought: Diagrammatic representation and the scientific texts of the Arts Faculty, 1200&ndash;1500.<br />
&nbsp;<br />
Na het vertrek van Reindert Falkenburg uit Leiden zijn bij de Opleiding Kunstgeschiedenis op het gebied van de medi&euml;vistiek werkzaam Elizabeth den Hartog, specialiste op het terrein van de middeleeuwse beeldhouwkunst en kastelenbouw, en Dirk de Vries, bijzonder hoogleraar op het terrein van de bouwhistorie.<br />
&nbsp;<br />
Bij de Opleiding Nederlandse Taal en Cultuur verrichten Wim van Anrooij, Geert Warnar en Ludo Jongen literatuur-historisch onderzoek op het gebied van de Middeleeuwen. Van Anrooij publiceert onder meer over verzamelhandschriften, literair-culturele relaties tussen Duitsland en de Nederlanden, historiografie en vakgeschiedenis. Thans werkt hij aan een monografie over Louis Couperus en de Middeleeuwen. Onder zijn leiding zijn vijftien promovendi actief. Daaronder bevinden zich een aantal externe promovendi die zich met de Middeleeuwen bezighouden: Eug&egrave;ne Lambert, Dat liden ende die passie ons heren Jhesu Christi; Marjolein Gommers, Studies naar leven en werk van Willem de Vreese; Yura Hollander, Middelnederlandse dialogen in versvom tot 1400. Inhoud, vorm en functie; Bart Lucassen, Eindtijdverwachtingen in de Middeleeuwen; Jan de Putter, Studies over de Reynaert-traditie; Bart Veldhoen, Middelengelse Romances (incl. 19e-eeuwse revival); Martijn Wijngaards, Middeleeuwse verhaalstof in historieliederen uit de 18e eeuw.<br />
Warnar gaf van 2004-2009 leiding aan het VIDI-project &lsquo;Men of Letters, Medieval Dutch Literature and Learning&rsquo;. Wybren Scheepsma was als postdoc aan het project verbonden. Het onderzoek richtte zich op de opkomst van het Middelnederlands als taal voor een publiek debat over geloof, ethiek, kennis en literatuur door auteurs die de geleerdentraditie voortzetten buiten de wereld van de professionele wetenschap. Het promotieonderzoek van Lydeke van Beek naar de Collatieboeken van Dirk van Herxen (promotie in 2009) sloot inhoudelijk zeer sterk bij dit project aan. Dat geldt ook voor het promotieonderzoek van Esther Jonker (Het Amsterdams perikopenboek &ndash; promotie 1 december 2010), Sanne de Vries (Middelnederlandse gebeden bij de Gregoriusmis) en Anna Dlabacova naar de overlevering in handschrift en druk van de Spiegel der volcomenheit van Hendrik Herp.<br />
Van 2009&ndash;2013 is Leiden partner in en co&ouml;rdinator van het project Mobility of Ideas and Transmission of Text. Vernacular Literature and Learning in the Rhineland and the Low Countries (ca. 1300&ndash;1550) (MITT), een door Warnar ge&iuml;nitieerd samenwerkingsverband met de universiteiten van Oxford, Antwerpen, Freiburg en Lecce. MITT is een Initial Training Network, onder auspici&euml;n van en gefinancierd door de EU in het zevende kaderprogramma. MITT stelt twaalf jonge onderzoekers in staat zich te specialiseren in medi&euml;vistisch onderzoek. In Leiden werken er drie: Joni de Mol (die onderzoek doet naar de invloed van de preken van Tauler in het werk van de Gentse priorin Alijt Bake), Helga Dierckx (onderzoek naar de grootste verzameling preken op naam van Johannes Tauler) en Yves van Damme (onderzoek naar de Dialoog van Eckhart en de leek).<br />
Van Jongen verschijnen regelmatig edities van Middelnederlandse teksten en vertalingen daarvan in modern Nederlands, vooral heiligenlevens en geestelijke literatuur.<br />
Joost van Driel werkt aan zijn VENI-project &lsquo;De oorsprong van het proza&rsquo;. Tegenwoordig is de prozavorm de standaard voor fictie en non-fictie literatuur. Onze oudste literatuur was echter berijmd. Pas langzaam is in de Middeleeuwen de prozavorm door Nederlandse auteurs ontdekt. Dit onderzoek gaat na, welke factoren daarvoor verantwoordelijk zijn geweest. Ook Olga van Marion (specialiste op het terrein van de Vroegmoderne Tijd) verricht onderzoek binnen een VENI-project: &lsquo;Ridders in de Renaissance&rsquo;. De tijdgenoten van Rembrandt lazen niet alleen&nbsp;&nbsp;&nbsp; renaissanceliteratuur. Van hoog tot laag genoot men evengoed van de oude ridderromans en van toneelstukken over de graven en gravinnen van weleer. Dit onderzoek gaat na welke idee&euml;n over de middeleeuwen er bestonden bij onze voorouders in de Gouden Eeuw.<br />
&nbsp;<br />
Bij de Opleiding Engelse Taal en Cultuur is Rolf Bremmer vooral actief op het gebied van de Oudengelse taal en cultuur, en participeert in het project &lsquo;Cambridge History of Early Medieval Literature&rsquo; dat zal uitmonden in een handboek. Ook is hij betrokken bij het project &lsquo;<a href="http://mendota.english.wisc.edu/~ASMMF/index.htm"><u>Anglo-Saxon Manuscripts in Microfiche Facsimile</u></a>&rsquo;, dat beoogt alle handschriften met Oudengels erin te beschrijven en op microfiche uit te brengen. Verder werkt hij, samen met Kees Dekker (RUG) aan een boekdeel in het project &lsquo;<a href="http://www.mipcatalog.com/Merchant2/merchant.mvc?Screen=PROD&amp;Store_Code=MIPCATALOG&amp;Product_Code=1-58044-073-8"><u>Sources of Anglo-Saxon Literary Culture</u></a>&rsquo;. Eveneens samen met Kees Dekker (RUG) heeft hij leiding gegeven aan het NWO-Internationaliseringsproject &lsquo;<a href="http://www.storehousesoflearning.com/"><u>Storehouses of Wholesome Learning</u></a>&rsquo; (2004&ndash;2008; in samenwerking met de Universiteit van Palermo). Het project beoogt functies en verspreiding van pre-encyclopedische literatuur in het Latijn en de volkstaal tussen 600 en 1200 te beschrijven en te verklaren. Momenteel zijn twee van de vier bundels die voortvloeien uit dit project verschenen. Daarnaast is hij als bijzonder hoogleraar Fries actief in de (inter-)nationale Friese medi&euml;vistiek. Hij begeleidt de volgende externe promovendi: Alan Griffiths, Rune-names and Ogam-names and Their Relation to Alphabet Letter-names; Domenica Carriero, Studies in the Old English &lsquo;The Phoenix&rsquo;; Filitsa Mullen, Symbolism in the &lsquo;Exeter Riddles&rsquo;. In februari 2011 begint Thijs Porck als docent-promovendus aan een proefschrift over Ouderdom in Angelsakisch en Normandisch Engeland. Bart Veldhoen houdt zich bezig met de Engelse Arturliteratuur en de receptie ervan in jongere tijd. Luisella Caon, die in 2008 promoveerde op de spelling van Chaucer, vervolgt haar onderzoek naar de taal van 15de-eeuwse handschriften van de Canterbury Tales. Zij is betrokken bij het internationale &lsquo;Canterbury Tales Project&rsquo;, onderdeel van de &lsquo;Virtual Manuscript Room&rsquo;&nbsp;(Birmingham). Sophie van Romburgh, tenslotte, verkeert in de afrondende fase van haar in 2003 begonnen Veni-project &lsquo;<a href="http://www.onderzoekinformatie.nl/en/oi/nod/onderzoek/OND1293221/"><u>Renaissance Ideas and Early Germanic Literature</u></a>&rsquo;.<br />
&nbsp;<br />
Erik Kwakkel (Instituut voor Culturele Disciplines) is projectleider van het VIDI-project &lsquo;Turning over a New Leaf: Manuscript Innovation in the Twelfth-Century Renaissance&rsquo; dat de wisselwerking bestudeert tussen de twaalfde-eeuwse geleerde cultuur en het materi&euml;le boek, met name tussen 1075 en 1225. Kwakkel onderzoekt de eigenlijke materi&euml;le vernieuwingen, gebruikmakend van een corpus gedateerde, in autopsie te onderzoeken handschriften. Project-aio Jenny Weston richt zich op de relatie tussen de nieuwe boekvorm en haar gebruikers. Een nog aan te stellen postdoc zal zich bezighouden met de inhoud van de handschriften, gericht op de relatie tussen de nieuwe materi&euml;le kenmerken en de teksten en tekstgenres waarin ze (het eerst) voorkomen.<br />
&nbsp;<br />
De Germanistische medi&euml;vistiek (Oudhoogduits-Middelhoogduits) wordt behartigd door Jef Jacobs, die zich onder meer bezighoudt met religieuze literatuur van de Middeleeuwen, met name uit de periode 1050&ndash;1170 en met de Duitse mystieke literatuur van de late middeleeuwen. Marie-Jos&eacute; Otten-Heijkant (Opleiding Italiaanse Taal en Cultuur) doet onderzoek naar de Arturliteratuur, met name de Tristan-traditie, in Itali&euml;. Julia Szirmai (Opleiding Franse Taal en Cultuur) bestudeert Oudfranse bijbelteksten en werkt aan de editie van een dertiende-eeuwse integrale&nbsp; bijbel.<br />
&nbsp;<br />
Het onderzoek van Bert Bos (Opleiding Filosofie) richt zich voornamelijk op de wijsgerige logica en semantiek, waarbij de aandacht vooral is gericht op de wisselwerking tussen semantische en metafysische opstellingen. Hij houdt zich in zijn onderzoek voornamelijk bezig met de wijsbegeerte van de veertiende eeuw. In dat kader bereidt hij momenteel een editie voor van het commentaar van Hendrik van Coesfeld (ca. 1400) op het Speculum puerorum van Richard Billinghem, en een editie van een anoniem commentaar (ca. 1400) op het Doctrinale van Alexander de Villa Dei.<br />
&nbsp;<br />
Bij de Opleiding Midden Oosten Studies bestudeert Gabri&euml;lle van den Berg de Perzische epiek alsook Firdausi&rsquo;s Shahnama (Book of Kings). Zij is betrokken bij het in Cambridge gebasserde internationale &lsquo;Shahnama Project&rsquo;. Asghar Seyed Gohrab bestudeert in zijn VIDI-project &lsquo;Of Poetry and Politics: Classical Poetic Concepts in New Politics of Twentieth Century Iran&rsquo; de invloed van middeleeuwse po&euml;zie en mystiek op het huidige Iraanse politieke denken.<br />
De Universiteitsbibliotheek herbergt naast een schat aan handschriften en vroege drukken de voor medioneerlandici en andere medi&euml;visten belangrijke Bibliotheca Neerlandica Manuscripta, een immens documentatieapparaat rond Middelnederlandse handschriften dat officieel erkenning verwierf als landelijk expertisecentrum. Conservator Andr&eacute; Bouwman richt zich in zijn onderzoek vooral op de Reynaert-literatuur.<br />
In het bachelorprogramma wordt een minor Medi&euml;vistiek aangeboden (30 ECTS). Alle studenten volgen &lsquo;Panorama van de Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd&rsquo; (5 ECTS, niveau 200) en &lsquo;Transmissie en transformatie van cultuur in Europa, 1100&ndash;1700&rsquo; (10 ECTS, niveau 300). Deze hoorcollegereeksen zijn speciaal voor de minor ontwikkeld en worden door docenten van verschillende disciplines gegeven. De colleges zijn ook als afzonderlijke keuzeonderdelen te volgen.<br />
&nbsp;<br />
Namens de Leidse medi&euml;visten,<br />
Rolf Bremmer<br />
(november 2010)<br />
<br />
<strong>Universiteit Utrecht</strong><br />
&nbsp;<br />
Het volgende is bewust beknopt gehouden. Het bevat een zeer globale schets van de voornaamste elementen van de Utrechtse medi&euml;vistiek waarbij die elementen steeds voorzien worden van een link naar de pagina van de facultaire website waar de betreffende informatie up to date wordt gehouden. Mensen die meer willen weten wordt verzocht de betreffende link te volgen. Dat is iets meer werk, maar het resultaat is wel steeds betrouwbare informatie.&nbsp;<br />
&nbsp;<br />
Het medi&euml;vistische onderzoek in Utrecht is gebundeld in de onderzoeksgroep &lsquo;Middeleeuwse cultuur&rsquo; van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur. De medi&euml;visten in Utrecht kennen een lange traditie van interdisciplinaire samenwerking. Daarbij spelen geschiedenis en Middelnederlandse letterkunde een dominante rol, maar de andere talen doen ook mee, waarbij apart vermelding verdient dat Utrecht drie keltologen herbergt. Daarnaast dragen musicologen en kunsthistorici hun steentje bij. Van de andere kant spelen theologie en filosofie zo goed als geen rol in de Utrechtse medi&euml;vistiek.<br />
In het onderwijs heeft dit er toe geleid, dat de Researchmaster Medieval studies naast de &lsquo;algemene&rsquo; track een specifieke track Keltisch kent en dat binnen de algemene track studenten geacht worden het accent te leggen op geschiedenis, literatuurgeschiedenis, kunstgeschiedenis of musicologie.<br />
&nbsp;<br />
Een overzicht van de medi&euml;visten, zowel onderzoekers als docent-ondezoekers is te vinden op: <a href="http://www.uu.nl/en/faculties/humanities/research/researchinstitutes/OGC/research/researchprogrammes/medievalculture/Pages/researchers.aspx" target="_blank"><u>http://www.uu.nl/en/faculties/humanities/research/researchinstitutes/OGC/research/researchprogrammes/medievalculture/Pages/researchers.aspx</u></a><br />
Wie deze lijst bekijkt, dient wel te bedenken dat musicologen en kunsthistorici formeel en als groep in andere onderzoeksgroepen zijn ondergebracht en dat aan de betreffende lijst dus tenminste ook de namen van Karl K&uuml;gle (musicologie) en Victor Schmidt (kunstgeschiedenis) moeten worden toegevoegd.<br />
&nbsp;<br />
Formeel is het onderzoek van de medi&euml;visten onderdeel van twee universitaire focusgebieden. Dit zijn onderzoeksgebieden waar de universiteit Utrecht uitgesproken sterk in is en waaraan meerdere faculteiten deelnemen. De medi&euml;visten participeren in Culture and Identities<br />
(zie <a href="http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/cultures/Pages/default.aspx" target="_blank"><u>http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/cultures/Pages/default.aspx</u></a>) en in Origins and Impact of Institutions (zie <a href="http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/origins/Pages/default.aspx" target="_blank"><u>http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/origins/Pages/default.aspx</u></a>)&nbsp;&nbsp;<br />
Meer inhoudelijk kenmerkt het onderzoek zich door een grote aandacht voor de culturele functie van allerlei soorten communicatie en door studie naar allerlei aspecten van de schriftcultuur. Dit onderzoek is versterkt door de benoeming van Marco Mostert tot hoogleraar Middeleeuwse schriftcultuur.<br />
De afgelopen jaren zijn de medi&euml;visten nogal succesvol geweest in het verwerven van projecten. Daarbij verdienen de NWO-middelgroot projecten Memoria en Dutch Songs on line speciale vermelding. Het laatste project gaat over de Nederlandse liedcultuur vanaf het begin tot in de negentiende eeuw, dus het bereik is groter dan dat van de medi&euml;vistiek. Ook is opvallend dat de Utrechtse medi&euml;visten deelnemen aan twee net gestarte Europese HERA-projecten: Cultural Memory and the Resources of the Past, 400-1000 AD en The Dynamics of the Medieval Codex. Van het laatste project is Utrecht penvoerder.<br />
Een overzicht van alle lopende projecten is te vinden op:<br />
<a href="http://www.uu.nl/EN/faculties/Humanities/research/researchinstitutes/ogc/research/researchprogrammes/medievalculture/research/Pages/default.aspx" target="_blank"><u>http://www.uu.nl/EN/faculties/Humanities/research/researchinstitutes/ogc/research/researchprogrammes/medievalculture/research/Pages/default.aspx</u></a><br />
&nbsp;<br />
Paul Wackers<br />
(augustus 2010)<br />
<br />
<strong>Universiteit van Amsterdam</strong><br />
&nbsp;<br />
De meeste UvA-medi&euml;visten maken deel uit van het Onderzoekinstituut voor Cultuur en Geschiedenis. Sinds januari 2009 is Irene Zwiep, als opvolgster van Burcht Pranger, directeur van dit instituut. Zwiep bezet de leerstoel Hebreeuws en joodse studies aan de Universiteit van Amsterdam (Juda Palache Instituut). Haar onderzoeksinteresses lopen uiteen van geschiedenis van de Hebreeuwse taalkunde en joodse taalfilosofie, via 15e-eeuwse Iberisch-joodse cultuur, tot geschiedenis van de (vroeg)moderne joodse wetenschap.<br />
Het Forum Middeleeuwen Amsterdam blijft eveneens een verzamelpunt voor Amsterdamse medi&euml;visten van binnen en buiten de UvA. Via www.hum.uva.nl/FMA, de website van dit Forum zijn, ook voor buitenstaanders, alle leden te benaderen. Bovendien worden daar kort de speerpunten van ieders onderzoek genoemd. De maandelijkse bijeenkomsten, telkens opgeluisterd met een lezing van een van de leden, zijn bij uitstek een informele ontmoetingsplaats voor de uit alle disciplines komende onderzoekers. Tijdens het zomersemester van 2008 werd er vanuit het FMA in het kader van de Europese Master &lsquo;Duitstalige literatuur in de middeleeuwen en de vroeg moderne tijd&rsquo; een lezingencyclus georganiseerd door Jan Bloemendal en Carla Dauven-van Knippenberg: &lsquo;Von Maria bis Madonna - Von Mutter bis Magd / From Mary to Madonna - From Mother to Maiden&rsquo;. FMA-leden lieten onder deze paraplu de internationale masterstudenten een kijkje nemen in hun keuken. De deels Duitstalige, deels Engelstalige lezingen zullen in 2009 worden gepubliceerd. Vers van de pers komt de Nederlandse vertaling van de roman &lsquo;Tristan en Isolde&rsquo; van Gottfried von Strassburg. Wieke Schultink, die vroeger&nbsp; aan de UvA Duits heeft gestudeerd en nu ook deelneemt aan ons FMA, is in jarenlange dialoog met die tekst erin geslaagd, een mooie Nederlandse vertaling&nbsp; te maken. In december 2008 verscheen het boek bij uitgeverij Verloren en in &lsquo;De&nbsp; Volkskrant&rsquo; van 13 februari 2009&nbsp; heeft medi&euml;viste Clara Strijbosch er uitvoerig en positief over geschreven.<br />
De laatste tijd waren de middeleeuwen en de vroeg moderne tijd in Amsterdam in woelig vaarwater terecht gekomen. Enkele trekkers verlieten de UvA en hun opvolging was niet altijd vanzelfsprekend. Maar gelukkig lijkt toch weer alles goed te komen. Onlangs is Herman Brinkman benoemd tot hoogleraar &lsquo;Tekstoverlevering en Teksteditie, in het&nbsp; bijzonder&nbsp; van de Middeleeuwen&rsquo;.&nbsp; Hij zal zich vooral met Middel-&nbsp;<br />
nederlandse bronnen gaan bezighouden. Brinkman studeerde en promoveerde bij Herman Pleij, in wiens voetsporen hij nu ook treedt. De neerlandicus werkte vanaf 2000 bij het Huygens Instituut en was daar als senior onderzoeker verantwoordelijk voor de clusters &lsquo;Middeleeuwse Verzamelhandschriften uit de Nederlanden&rsquo; en &lsquo;Transnationale cultuur-overdracht&rsquo;. Herman Brinkman maakt deel uit van een ruim internationaal netwerk en is in zijn benaderingen zeker op de toekomst gericht. Wij kunnen ons verheugen op de impulsen die hij aan het vakgebied zal geven. De leerstoel is mogelijk gemaakt door het Huygens Instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en valt onder de afdeling Neerlandistiek.<br />
De leerstoelgroep Middeleeuwse geschiedenis werd geconfronteerd met het vertrek van&nbsp; Peter Hoppenbrouwers, die per 1 februari 2008 in Leiden werd benoemd tot hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis. Daarvoor bekleedde de medi&euml;vist vanaf 2001 die leerstoel aan de UvA. Er werd &lsquo;op de werkvloer&rsquo; gesidderd en gebeefd of de plaats wel in zijn volle omvang zou worden herbezet. Dit is gelukkig het geval. Binnenkort wordt bekend gemaakt, wie de nieuwe hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis aan de UvA zal zijn.<br />
Behalve deze twee geruststellende mededelingen zijn er ook vanuit de zittende staf tal van mooie dingen te vermelden. Zo heeft promovenda Jinna Smit voor haar publicatie &lsquo;Sources for the Mutual History of Ghana and the Netherlands. An annotated guide to the Dutch archives relating to Ghana and West Africa in the <em>Nationaal Archief</em> 1593-1960&rsquo; (samen met Michel R. Doortmont) de&nbsp; Conover-Porter Award 2008 ontvangen. Dit is een prijs die in elk even jaar door de <em>Africana Librarians Council of the (US) African Studies Association</em> wordt verleend aan personen die uitmuntend onderzoek hebben verricht op het gebied van Afrikaanse bronnen. De prijs die aan Jinna Smit werd toegekend, is genoemd naar twee pioniers op het gebied van de Afrikanistiek, Helen F. Conover en Dorothy Porter.<br />
Ook promovenda&nbsp; Anique De Kruijf&nbsp; heeft al voor het verschijnen van haar proefschrift de publieke belangstelling voor haar onderzoek weten te trekken. Zij ontdekte achter het altaar van de Oud-Katholieke kathedrale kerk te Utrecht een kistje met een avontuurlijke reliekenschat: een stukje rib van de heilige Willibrord (658-739), de kunstig &lsquo;ingepakte&rsquo; schedels van wellicht de heilige Cunera en de heilige Agnes van Rome en nog zo&rsquo;n kleine 1700 andere vererenswaardige voorwerpen. Naar aanleiding van de Utrechtse tentoonstelling <em>Open altaren</em> publiceerde De Kruijf een deelinventarisiatie van de reliekenverzameling in de Oud-Katholieke kathedrale kerk te Utrecht, die na de Sint Servaas in Maastricht over de grootste relieken-verzameling in Nederland beschikt. De kunsthistorica overhandigde op 23 juni 2008 aan aartsbisschop Joris Vercammen het eerste exemplaar van haar de tentoonstelling begeleidende boek &lsquo;Stof zijt gij &hellip; Een deelinventaris van de reliekschat van de Oud-katholieke Gertrudis-kathedraal te Utrecht&rsquo;.<br />
Eveneens uit de hoek van kunstgeschiedenis komt het mooie boek van hoogleraar Claudine Chavannes-Mazel, dat helaas al is uitverkocht: &lsquo;Maerlants Rijmbijbel in Museum Meermann. De kracht van woorden, de pracht van beelden&rsquo;. De Middelnederlandse Rijmbijbel van Jacob van Maerlant, die in 1332 rijk werd verlucht door Michiel van den Borch, is in het bezit van genoemd museum. In het kader van een restauratie werd de boekband uit elkaar gehaald en konden de afzonderlijke bladen worden getoond. Tegelijk met de tentoonstelling verscheen Chavannes&rsquo; <em>bestseller</em>, waarin alle 64 afbeeldingen zijn opgenomen. Tevens legt de kunsthistorica telkens het verband tussen de miniatuur en de tekst. Omdat de Middelnederlandse teksten vertaald zijn in het hedendaags Nederlands maakt haar studie dit glansstuk van de Middelnederlandse cultuur ook voor een groot publiek toegankelijk.<br />
Een subsidie van NWO voor een zogenaamd &lsquo;klein programma&rsquo; werd aan de romanist Jelle Koopmans toegekend. In het kader van zijn gehonoreerde project &lsquo;Law and Drama: How Theatrical Practices are defined by, with, and against the Law in France &amp; French-speaking regions (13th-16th centuries) kunnen van 2008 tot 2012 twee postdocs (mw. dr. Lav&eacute;ant en mw. dr. Bouha&iuml;k-Giron&eacute;s) en een promovendus (dhr. Gabay) onder leiding van Koopmans onderzoeken hoe de autoriteiten probeerden grip op deze massale spektakels te krijgen. De historische bronnen worden nu eens niet geraadpleegd om meer over de geschiedenis van het genre aan de weet te komen. De onderzoekers hopen dat de bestudering ervan een licht zal kunnen werpen op de conceptualisatie van toneelvoorstellingen en de legale status van het spel, de spelers en de teksten.<br />
De afronding van de NWO-subsidie &lsquo;Internationalisering Onder-zoekscholen&rsquo; voor het project &lsquo;Textdimensions: Functionality-Mediality-Performativity&rsquo; vond plaats tijdens een internationaal congres dat in september 2008 in Zug (Zwitserland) werd gehouden: &lsquo;Medialit&auml;t des Heils&rsquo;. Dit congres werd georganiseerd door de twee projectleiders Carla Dauven-van Knippenberg&nbsp; (UvA) en Christian Kiening (Universiteit Z&uuml;rich). In vier sessies werden religieuze kunst en literatuur besproken tegen de achtergrond van de paradox dat hier het middel om heil en genade over te dragen tegelijk ook deel uitmaakt van wat overgedragen wordt. Dit proces wordt des te complexer door het feit dat in de late middeleeuwen de mediale vormen aanzienlijk toenemen. Een verslag van de lezingen door <em>stakeholder</em> Cornelia Herberichs is te vinden onder &lt;http://hsozkult.geschichte.hu-berlin.de/tagungsberichte/id=2501&gt;.<br />
Er werden nog andere conferenties georganiseerd. Jacqueline Borsje was verantwoordelijk voor het colloquium &lsquo;Celtic Cosmology and the Power of Words&rsquo;, dat aan de Universiteit van Ulster (Noord-Ierland) in februari 2008 werd gehouden. Borsje kreeg voor dit colloquium subsidie van de British Academy, een zgn.&nbsp;&lsquo;Small Research Grant&rsquo; en van&nbsp;<em>the M&iacute;che&aacute;l &Oacute; Cl&eacute;irigh Institute for the Study of Irish History and Civilization </em>van het University College Dublin. Burcht Pranger organiseerde in het kader van zijn NWO-programma &lsquo;The Pastness of the Religious Past&rsquo; in december 2008 de conferentie &lsquo;On Religion and Pastness&rsquo;. De bijeenkomst werd gehouden in het KNAW-gebouw het Trippenhuis, met een uitstapje naar theater Perdu, waar de film &lsquo;Into Great Silence&rsquo; werd getoond en in het wetenschappelijke debat werd ge&iuml;ntegreerd. Eind februari 2009 vindt er een symposium plaats, dat voortvloeit uit het NWO-programma &lsquo;The history of oil painting in the Low Countries and its consequenes for the visual arts, 1350-1550&rsquo;, een samenwerking tussen de universiteiten van Amsterdam (Jan Piet Filedt Kok) en Utrecht (Jeroen Stumpel). Tijdens de wetenschappelijke ontmoeting staat het onderwerp &lsquo;Impact of Oil &ndash; Preliminary findings&rsquo; in het middelpunt: welke gevolgen voor de schilderkunst en de theorie van het schilderen had het werken met olieverf.<br />
Deze laatste alinea is gewijd aan promovendi.<br />
Johan Weststeijn promoveerde op donderdag 5 februari 2009 op het proefschrift &lsquo;A Handful of Red Earth. Dreams of Rulers in Tabari&#39;s History of Prophets and Kings&rsquo; (begeleiding: Manfred Woidich en Remke Kruk/Leiden).<br />
Kees Bracco begon als extern promovendus in het voorjaar 2008 met zijn promotieonderzoek &lsquo;Gestalt und Gehalt von S&uuml;nde und Erl&ouml;sung. Zur Medialit&auml;t, Performativit&auml;t und Funktionalit&auml;t des &ldquo;Maastrichter (ripuarischen) Passionsspiels&rsquo; (begeleiding: Carla Dauven-van Knippen-berg).<br />
Dieuwertje Smal begon in september 2008 met haar promotieonderzoek &lsquo;Grafconstructies, grafveldstructuur en de rituele handelingen rond het graf: een archeologische benadering van de omgang met de dood en de dode(n) in de Vroege Middeleeuwen in de Maasvallei&rsquo; (begeleiding: Frans Theuws).<br />
Annika Rulkens begon eveneens haar promotieonderzoek in september: &lsquo;Monastic architecture during the reign of Louis the Pious&rsquo; (begeleiding:&nbsp;Lex Bosman).<br />
Simon Gabay begon met zijn promotieonderzoek in het kader van het NWO-project &lsquo;Law and Drama: How Theatrical Practices are defined by, with, and against the Law in France &amp; French-speaking regions (13th-16th centuries) (begeleiding: Jelle Koopmans).<br />
&nbsp;<br />
Carla Dauven-van Knippenberg<br />
(februari 2009)<br />
<br />
<strong>Vrije Universiteit Amsterdam</strong><br />
Aan de Vrije Universiteit wordt zowel binnen als buiten de Faculteit der Letteren medi&euml;vistiek bedreven. Binnen Letteren is er een leerstoel voor Geschiedenis van de Middeleeuwen; binnen de Faculteit Wijsbegeerte &eacute;&eacute;n voor middeleeuwse, antieke en patristische filosofie met momenteel een zwaartepunt in de Middeleeuwen. Onderzoek op de terreinen van de middeleeuwse waterstaatsgeschiedenis, architectuurgeschiedenis, de middeleeuwse Franse letterkunde en de middeleeuwse Nederlandse letter- en taalkunde wordt gedaan vanuit leerstoelgebieden binnen de literaire faculteit die hun zwaartepunt elders hebben. Een belangrijke bijdrage aan het middeleeuwenonderzoek wordt voorts geleverd vanuit de Faculteit der Godgeleerdheid.<br />
De VU kent geen apart instituut voor Middeleeuwse Studies. Binnen de Faculteit der Godgeleerdheid functioneert een &lsquo;Instituut voor Kerkgeschiedenis van de Late Middeleeuwen en de Reformatie&rsquo;. Een deel van het medi&euml;vistische onderzoek is ondergebracht in het onlangs, op 1 december 2007, van start gegane interfacultaire onderzoeksinstituut VISOR (VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society). Een tweede interfacultair instituut, &lsquo;for the Study of Culture and Values&rsquo;, is in oprichting: ook hier zal medi&euml;vistisch onderzoek worden ingebracht.<br />
Een bindmiddel tussen de VU-medi&euml;visten van verschillende disciplines is vanouds de Medi&euml;vistenkring. Tijdens de bijeenkomsten houden collega&rsquo;s presentaties van lopend of zojuist voltooid onderzoek en wordt nieuws met betrekking tot onderzoek en onderwijs in de Middeleeuwen uitgewisseld. Als gevolg van de ingrijpende reorganisaties en formatiereducties van de laatste jaren heeft de kring enige tijd een slapend bestaan geleid, maar zojuist is er een nieuwe start gemaakt.<br />
Binnen het leerstoelgebied Geschiedenis der Middeleeuwen ligt de nadruk op de socio-religieuze en culturele geschiedenis van de late Middeleeuwen, in het bijzonder in stedelijke context. Het onderzoek van prof. dr. K. Goudriaan concentreert zich op de laatmiddeleeuwse vroom-heidsbeweging die als Moderne Devotie bekend staat. Artikelen over regionale recruteringspatronen, over vrouwenmacht in de vroege Moderne Devotie, over zusterhuizen uit de tijd v&oacute;&oacute;r het gemene leven en over kloosters met alleen vrouwelijke conversen zijn ter perse of staan op stapel. Een monografie over Wermboud van Boskoop, de stichter van het Kapittel van Utrecht (tertiarissen), en zijn tijd is nagenoeg voltooid. Op de middellange termijn staat een Engelstalige monografie over de eerste halve eeuw van de Moderne Devotie als urbane monastieke revolutie op het program. Een tweede veld van aandacht is de laatmiddeleeuwse <em>memoria</em>-cultuur.<br />
&nbsp;<br />
Het onderzoek van mw. dr. S. Corbellini concentreert zich op het centrale thema van de laatmiddeleeuwse cultuuroverdracht, in het bijzonder de opmerkelijke toename van vertalingen uit het Latijn naar de volkstaal van religieuze en liturgische teksten, met name van bijbelgedeelten (Nieuwe Testament en evangeli&euml;nharmonie&euml;n) en handboeken voor religieuze opvoeding. Belangrijk in het onderzoek is de reconstructie van de socio-culturele omstandigheden die het ontstaan en de verspreiding van de vertalingen mogelijk hebben bevorderd. Aandacht wordt geschonken aan de inventarisatie van teksten en tekstdragers (handschriften en vroege drukken), aan de bestudering van paratextuele elementen (die bijvoorbeeld informatie kunnen bieden over vertaalomstandigheden en over hoe de teksten werden gelezen), maar ook aan de reconstructie (aan de hand van o.a. bezittergegevens en boekenlijsten) van de milieus waarin de vertalingen circuleerden.<br />
&nbsp;<br />
Het onderzoek van dr. A.L. Tervoort spitst zich toe op de geschiedenis van het onderwijs. Nadat eerder in zijn dissertatie over de <em>peregrinatio academica </em>van Nederlanders in Itali&euml; het accent lag op het universitair onderwijs, verlegt hij zijn aandacht nu naar het secundaire onderwijs in de Lage Landen. Op korte termijn staat een publicatie over schoolbezoek en -gedrag in Gouda op het program, aan de hand van unieke schoolrekeningen die voor deze stad zijn bewaard. Het wijdere perspectief is een nieuwe synthese over het voortgezet onderwijs in ons land.<br />
&nbsp;<br />
Binnen het leerstoelgebied Economische en Sociale Geschiedenis werkt mw. dr. P.J.E.M. van Dam aan onderzoek op twee terreinen: de ecologische en sociaal-economische geschiedenis van het kustgebied, en de energiegeschiedenis toegespitst op de zout- en baksteenwinning aan de kusten van de Noordzee, beide voor de periode 1300-1700. Ook heeft zij het project &#39;Rijnland 750 jaar&#39; geleid en daarin de middeleeuwse waterstaatsgeschiedenis voor haar rekening genomen. Ter afsluiting hiervan is verschenen: <em>Waterstaat in stedenland. Het hoogheemraad-schap van Rijnland voor 1857 </em>(Utrecht 2006), co-auteur: M. van Tielhof. De bijdragen aan de afsluitende workshop met ruime aandacht voor de Nederlandse, Vlaamse en Engelse middeleeuwse waterstaats-geschiedenis, zijn verschenen in: <em>Water management, communities, and Environment. The Low Countries in Comparative Perspective, c. 1000- c. 1800, Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis &nbsp;2005/2006</em>, 10 (2006). In aansluiting bij dit project is ook een promotie begeleid als co-promotor: Charles Cornelisse &lsquo;Energiemarkten en energiehandel in Holland in de late middeleeuwen&rsquo; (promotores&nbsp; prof. dr. C.A. Davids en prof. dr. W.P. Blockmans), waarvan de handelseditie in de loop van dit jaar verschijnt.<br />
&nbsp;<br />
Mw. drs. I.B.S. van Koningsbruggen is actief op het terrein van de architectuurgeschiedenis. Haar belangstelling geldt de receptie van het gebouwde erfgoed, onder andere uit de Middeleeuwen.<br />
&nbsp;<br />
<tt>Op het terrein van de Franse letterkunde is mw. drs. J.F. van der Meulen werkzaam. In aansluiting op haar promotieonderzoek (opgezet binnen het Leidse pionierproject NLCM) naar literaire cultuur rond het Hollands-Henegouwse hof in de periode 1260-1350, richt zij zich op de Oudfranse literatuur binnen de cultuurhistorische context van Lage Landen en&nbsp; de Reichsromania, met speciale aandacht voor de internationale dynamiek en de relatie tussen woord- en beeld-tradities.Veertiende-eeuwse Alexander-continuaties en de opmerkelijk vroege Dante-receptie in deze noordelijke gebieden hebben haar speciale aandacht.</tt><br />
&nbsp;<br />
Het onderwerp van dr. R. M. Th. Zemel luidt: &lsquo;Auteur en publiek van verhalende literatuur uit de dertiende eeuw in het graafschap Vlaanderen. Onderzoek naar thematiek, po&euml;tica, intertekstualiteit, receptie.&rsquo; Enkele belangrijke literaire teksten die in de dertiende eeuw in Vlaanderen in het Diets geschreven werden, sluiten aan bij modellen van het genre in de Oudfranse literatuur. Tegelijk laten auteurs daarop literaire kritiek horen. Het onderzoek is gericht op de inhoud en de bedoeling van die kritiek.<br />
&nbsp;<br />
Meer in detail gaat zijn onderzoek over:<br />
a. <em>Roman van Walewein</em>. Op welke wijze en met welke bedoeling heeft de dichter in een Arturroman een bewerking opgenomen van een beroemd <em>chanson de geste</em> over Guillaume d&rsquo;Orange (op termijn monografie gepland).<br />
Vervolgens:<br />
b. Artikel naar aanleiding van zijn&nbsp; boek over <em>Fergus</em> (<em>The Quest for Galiene. </em><em>A Study of Guillaume le Clerc&rsquo;s Arthurian Romance</em> <em>Fergus</em>. Amsterdam-M&uuml;nster 2006).<br />
c.&nbsp; Een po&euml;ticale interpretatie van <em>Van den vos Reynaerde</em>. De Vlaamse auteur laat zijn hoofdpersoon voor de goede verstaander moderne opvattingen over literatuur ten beste geven. Zijn Franse bron, een verhaal over Renart, heeft hij daarmee uitgewerkt tot een roman met een geprononceerde literaire boodschap.<br />
d. Het portret van Charlemagne in <em>Karel ende Elegast</em>. In deze novelle presenteert de dichter een &lsquo;fictionele&rsquo; rol van de keizer, die in strijd is met zijn optreden in het Franse <em>chanson de geste</em>.<br />
&nbsp;<br />
Prof. dr. W. Goris, verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte, richt zijn aandacht op het systematische begin van kennis, een thema dat middeleeuwse wijsbegeerte verbindt met haar tegenwoordige erfgenamen. De stelling is dat &eacute;&eacute;n van de veronderstellingen van moderniteit, de autonomie van de rede, haar oorsprong heeft in speculaties over het systematisch begin van kennis in de dertiende en veertiende eeuw. Vanaf de dertiende eeuw ontstaat een epistemologische constellatie waarin het vertrouwen van de rede in het Absolute wordt geconfronteerd met en gedwongen in een nieuw vocabulaire, waartoe de opkomst van het transcendentale behoort, evenals de ontdekking van het apriori van de menselijke rede en een gewijzigde houding tegenover menselijke ervaring. In 2007 resulteerde dit project in de publicatie van de monografie <em>&lsquo;Absolute Beginners&rsquo;. </em><em>Der mittelalterliche Beitrag zu einem Ausgang vom Unbedingten </em>(Brill: Leiden/ Boston).&nbsp; Een tweede traject rond Waarheidsspelen vraagt aandacht voor de manier waarop filosofische idee&euml;n vorm krijgen dankzij de speciale epistemologische constellaties waarin zij opgenomen zijn. Dit project dient methodologische doeleinden en concentreert zich op de productie van waar/vals-verschillen in een vari&euml;teit aan gereguleerde praktijken: natuurwetenschappelijk, juridisch, medisch, religieus enz.<br />
&nbsp;<br />
Prof. dr. A.A. den Hollander, verbonden aan de Faculteit der Godgeleerdheid en aan de Universiteitsbibliotheek van de VU, geeft leiding aan een project over de <tt>Bijbel in de late Middeleeuwen. Het gaat daarbij om &#39;bijbel&#39; in de brede zin van het woord, in haar vele verschijningsvormen, zowel inhoudelijk als ook met betrekking tot de vormgeving. Het onderzoek betreft handgeschreven en gedrukte boeken, gemaakt als studieboek of met een liturgisch of meditatief oogmerk. Binnen het themagebied is ook aandacht voor breder cultuurhistorisch onderzoek, zoals naar bijbel(se) illustraties, provenance-onderzoek, etc. Aan dit themagebied wordt behalve door Den Hollander en Corbellini (zie boven) ook bijgedragen door mw. drs. E. Meyer en mw. dr. P.H.J. de Hommel-Steenbakkers.</tt><br />
Het &lsquo;Instituut voor Kerkgeschiedenis van de Late Middeleeuwen en de Reformatie&rsquo; (Faculteit Godgeleerdheid), dat onder leiding staat van prof. dr. C.P.M. Burger, stelt zich tot doel onderzoek te doen naar enkele aspecten van de kerk- en theologiegeschiedenis binnen de periode 1343 tot 1564. Het onderzoek naar de universitaire theologiebeoefening richt zich vooral op de receptie van de genadeleer van Augustinus. Daarnaast wordt de vertaalslag naar de leken onderzocht: Repertorium Middelnederlandse preken, &lsquo;Fr&ouml;mmigkeitstheologie&rsquo;, &lsquo;Luthers &Uuml;bersetzung und Auslegung des Magnificat&rsquo;. Een zwaartepunt vormt het werk aan de kritische uitgave van de brieven van en aan Johannes Calvijn.<br />
&nbsp;<br />
<em>Fr&ouml;mmigkeitstheologie</em>: Naarmate in de Late Middeleeuwen ook leken leren lezen en schrijven, vervaardigen theologisch geschoolde geestelijken teksten voor deze groep. Ze beperken zich niet tot eenvoudige catechese, maar kiezen uit de beschikbare academisch-theologische, monastiek-theologische en mystieke literatuur, wat naar hun opvatting vroomheid kan kweken en versterken en &lsquo;transformeren&rsquo; de inhoud ervan in het Latijn of in de volkstaal voor de leken zelf of voor hun geestelijke leiders. Deze invloedrijke geschriften kan men onder de noemer &lsquo;Fr&ouml;mmigkeitstheologie&rsquo; samenvatten. Onderzocht worden onder meer teksten van Jean Gerson (1363-1429), Johannes von Paltz OESA (ca. 1445-1511) en Martin Luther (1483-1546).<br />
&nbsp;<br />
<em>Laat-middeleeuwse genadeleer</em>: Onder de noemers &lsquo;Logik des Schreckens&rsquo; en &lsquo;Stein in den Nieren Alteuropas&rsquo; vat de wijsgeer Kurt Flasch de ontwikkelde genadeleer van Augustinus (354-430) samen. Augustinus beperkt immers de vrije wil van de mens tot het doen van het goede tot Adam voor de zondeval. Aan de Vrije Universiteit worden in het bijzonder de genadeleer van de laatmiddeleeuwse theologen Gregorius van Rimini OESA (ca. 1300-1358) en Hugolinus van Orvieto OESA (ca. 1300-1373) onderzocht.<br />
&nbsp;<br />
<em>Repertorium Middelnederlandse preken</em>: De preek is een van de belangrijkste genres van de Middelnederlandse geestelijke literatuur. Zij is daarnaast een prominente historische informatiebron, want zij verbreidde religieuze, morele en culturele normen, waarden en attitudes. De groep &lsquo;Sermo&rsquo; werkt samen bij het vervaardigen van dergelijke Repertoria voor heel Europa. In dit kader wordt er gewerkt aan het Repertorium van in handschriften bewaarde Middelnederlandse preken. Op 16 januari 2008 hopen mw. drs. T. W. F. van Dijk (Amsterdam) en dhr. lic. D. Ermens (Antwerpen) dit Repertorium te voltooien met het voorstellen van de volumes IV &ndash; VII met daarin de preken bewaard in de kleinere bibliotheken van Nederland en Belgi&euml;.<br />
&nbsp;<br />
<em>Luthers &Uuml;bersetzung und Auslegung des Magnificat</em>: Bijzonder bekende geschriften van Martin Luther die men onder de noemer &lsquo;Fr&ouml;mmigkeits-theologie&rsquo; kan vatten, zijn gebaseerd op zijn exegese van de psalmen voor zijn studenten (twee collegereeksen, te weten 1513-1515 en 1519-1521). Voor een breder publiek vertaalde Luther in de jaren 1520/1521 onder andere het loflied van Maria volgens het evangelie naar Lukas 1, 46b-55 en gaf een uitleg van deze tekst die sterk op een psalm lijkt. In 2007 verscheen er een monografie van de hand van Chr. Burger: <em>Marias Lied in Luthers Deutung. Der Kommentar zum Magnifikat (Lk 1, 46b-55) aus den Jahren 1520/21.</em><br />
In het kader van de kritische uitgave van de werken van Johannes Calvijn verscheen in 2007 van de hand van mw. dr. M.G. K. van Veen de kritische editie: <em>Ioannis Calvini scripta didactica et polemica, vol.I I</em>, Brieve instruction pour armer tous bons fideles contre les erreurs de la secte commune des anabaptistes. Dr. F. P. van Stam werkt samen met dr. E. A. de Boer aan een kritische editie van de <em>Epistolae duae</em> van Johannes Calvijn.<br />
<br />
Koen Goudriaan<br />
(april 2008)<br />
<br />
<strong>Radboud Universiteit Nijmegen</strong><br />
&nbsp;<br />
Het Nijmeegse onderzoek op het gebied van de medi&euml;vistiek vindt plaats aan vijf faculteiten: de Faculteit der Letteren, de Faculteit der Filosofie, de Faculteit der Theologie, de Faculteit der Religiewetenschappen en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Het onderzoek is ondergebracht bij de verschillende facultaire onderzoeksprogramma&rsquo;s, maar er is ook interfacultaire samenwerking. Om de zichtbaarheid en de coherentie van het medi&euml;vistische onderzoek aan de Radboud Universiteit te bevorderen, zijn er vergevorderde plannen voor de oprichting van een <em>Centrum voor Middeleeuwse en Renaissance Studies</em> (de facto een voortzetting van het Nijmeegse <em>Centrum voor Middeleeuwse Studies</em>). Karakteristiek voor het Nijmeegse Middeleeuwen-onderzoek is het accent op de latere Middeleeuwen (13<sup>e</sup> eeuw en later), de aandacht voor de overgang van Middeleeuwen naar Renaissance, en de interesse voor onderwerpen die gerekend kunnen worden tot de &lsquo;intellectuele geschiedenis&rsquo; (in de brede zin van het woord).<br />
&nbsp;<br />
<strong>Faculteit der Letteren </strong><br />
Het onderzoek op het gebied van de Middeleeuwen is voornamelijk geconcentreerd in het facultaire onderzoeksprogramma <em>Christelijk Cultureel Erfgoed (</em>CCE), onderdeel van het <em>Instituut voor Historische, Literaire en Culturele Studies</em> (HLCS). De persoonlijke en collectieve onderzoeksprojecten die hierin zijn ondergebracht vertonen een grote continu&iuml;teit van thematiek en expertise. Het eerste zwaartepunt ligt traditioneel bij de Nederlanden in de late Middeleeuwen en in de zestiende eeuw (schilderkunst en kunstnijverheid, materi&euml;le geloofsuitingen als pelgrimstekens, teksten over moraal en moraliteit, Erasmus). Vanuit de vaste staf zijn prof. Jos Koldeweij, prof. Johan Oosterman en dr. Petty Bange hierin actief. Op dit terrein is er vanouds een sterke samenhang met het onderzoek in het interfacultaire programma <em>Christelijk Cultureel Erfgoed</em> (zie onder). Het pionierproject over de <em>Genealogie van de Moraal</em> onder leiding van dr. Istv&aacute;n Bejczy is intussen afgesloten en heeft een omvangrijke serie publicaties en dissertaties opgeleverd (waaronder het proefschrift van Jasmijn Bovendeert, <em>Kardinale deugden gekerstend: de kardinale deugden vanaf Ambrosius tot het jaar 1000</em> [Nijmegen 2007]). Een andere focus ligt op de Angelsaksische en Keltische wereld in de vroege Middeleeuwen (semantiek, iconografie: dr. Sandor Chardonnens, dr. Cees Veelenturf). Het Nijmeegse zwaartepunt Christelijke Oudheid krijgt binnen CCE voornamelijk gestalte in de kunstgeschiedenis (prof. Sible de Blaauw), maar heeft een sterke filologische component in het programma <em>De Antieke Wereld </em>(prof. Arp&aacute;d Orb&aacute;n, dr. Vincent Hunink). Daarnaast heeft de receptiegeschiedenis van de Christelijke oudheid en van de Middeleeuwen zich tot een karakteristiek onderzoeksthema ontwikkeld (prof. Sible de Blaauw, prof. Peter Raedts, prof. Peter Rietbergen). Een ander project binnen CCE richt zich op het ontstaan en voortleven van klooster&shy;bibliotheken in het Maas-Rijngebied (dr. Hans Kienhorst). Veel aandacht gaat daarbij uit naar de bibliotheek van Soeterbeeck en haar gebruikers vanaf de late Middeleeuwen tot de late twintigste eeuw (prof. Johan Oosterman), waarbij in samenwerking met de Nijmeegse UB onderzocht wordt welke mogelijkheden digitalisering biedt voor onderzoek en onderwijs.<br />
In de onderzoeksvisitatie van 2006 is de kwaliteit van het onderzoek zeer positief beoordeeld, maar werd ook gewezen op de noodzaak de inhoudelijke samenhang en de feitelijke samenwerking te versterken. De faculteit heeft daarom een aantal thematische zwaartepunten aangewezen waarvoor voldoende focus en massa aanwezig is om uit te groeien tot speerpunten van het toekomstige letteren-onderzoek. Een ervan is <em>Dealing with the Religious Past</em>, waarin het beste Nijmeegse onderzoek op het terrein van het christelijke erfgoed kan worden gebundeld en uitgebouwd. Dit programma richt zich op de constructie van Christelijk cultureel erfgoed (dat in de Middeleeuwen, maar uiteraard ook in de latere perioden kan liggen) als een continu proces van selectie en herinterpretatie van het verleden, met het oog op identiteitsvorming in het heden. Twee sporen tekenen zich af als hoofdthema&rsquo;s. Als eerste: de steeds terugkerende behoefte tot ijking aan de waarden en tradities van het Vroege Christendom, vooral in de overlevering van de kerkvaders. Als tweede: de stad Rome als drager van en instrument voor een doelgerichte omgang met het verleden. In november 2008 heeft het College van Bestuur besloten een bijzondere impuls aan deze plannen te geven door voor 2009 prof. Willem Frijhoff als gasthoogleraar te benoemen met als bijzondere taak de stimulering van de onderzoekslijn Cultuur en Religie, waarbij ook onderzoekers van andere faculteiten (Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen) zullen worden betrokken.<br />
&nbsp;<br />
<strong>Faculteit der Filosofie </strong><br />
Het medi&euml;vistisch onderzoek binnen de Faculteit der Filosofie is ondergebracht in het onderzoeksprogramma <em>From Natural Philosophy to Science</em>, dat onder leiding staat van prof. Paul Bakker. Dit programma richt zich op de bestudering van de middeleeuwse (natuur)filosofie, de integratie van Antiek gedachtegoed en Christelijke intellectuele tradities daarin, en de raakvlakken en conflictpunten met de middeleeuwse theologie. Een voorbeeld van dit laatste is het promotieproject van drs. Femke Kok over de rol van de theologie in de metafysica van Johannes Buridanus (zie ook beneden onder <em>Christelijk Cultureel Erfgoed</em>). Meer concreet richt het programma zich op de Aristotelische traditie, zoals die onder meer gestalte krijgt in de commentaren op de werken van Aristoteles, en de dialoog (en soms het debat) met rivaliserende verklaringen van de natuur. In 2008 is in dit kader een promotie-project van start gegaan over de natuurfilosofie van Albertus de Grote (met bijzondere aandacht voor de relatie tussen kosmologie en psychologie). Het project wordt uitgevoerd door drs. Adam Takahashi. Het promotie-onderzoek van dr. Michiel Streijger is in 2008 succesvol afgerond met de dissertatie <em>Johannes Buridanus&rsquo; commentaar op </em>De generatione et corruptione. De editie van Buridanus&rsquo; commentaar zal in 2009 worden gepubliceerd door dr. Michiel Streijger, prof. Paul Bakker en prof. Hans Thijssen. In het kader van het Vidi-project van prof. Paul Bakker, <em>Form of the Body or Ghost in the Machine? The Study of Soul, Mind and Body (1250&ndash;1700)</em> wordt aandacht geschonken aan de &lsquo;wetenschap van de ziel&rsquo; (wijsgerige psychologie), die in de Middeleeuwen een onderdeel was van de natuurfilosofie. Binnen dit project bereidt drs. Sander de Boer een proefschrift voor over doctrinaire ontwikkelingen in een aantal commentaren op Aristoteles <em>De anima</em> uit het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw. Eveneens in het kader van dit Vidi-project zal in 2009 een omvangrijk internationaal congres worden georganiseerd (in samenwerking met het De Wulf &ndash; Mansion Centrum van de K.U. Leuven en onder de aegis van de Soci&eacute;t&eacute; Internationale pour l&rsquo;Etude de la Philosophie M&eacute;di&eacute;vale [S.I.E.P.M.]) gewijd aan psychologische theorievorming in laatmiddeleeuwse Sententie&euml;n-commentaren (<em>Philosophical Psychology in Late-Medieval Commentaries on Peter Lombard&rsquo;s</em> Sentences).<br />
&nbsp;<br />
<strong>Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen</strong><br />
Het onderzoek van de Faculteit der Theologie en de Faculteit der Religiewetenschappen is ondergebracht in het <em>Research Institute for Religious Studies and Theology </em>(RST). De aan dit onderzoeksinstituut verbonden historici die zich bezighouden met de Middeleeuwen nemen sinds 2006 deel aan het onderzoeksprogramma <em>Reframing Spirituality and Mysticism in Past and Present</em>. In dit verband kan melding gemaakt worden van de projecten van dr. Inigo Bocken over <em>Devotio Moderna as Theory en </em>van prof. Peter Nissen over <em>Continuity and Discontinuity in Late Medieval and Early Modern Christian Spirituality</em> (tot 2008).<br />
Prof. Daniela M&uuml;ller, per 1 januari 2009 benoemd tot hoogleraar Kerkgeschiedenis en Geschiedenis van het Christendom (als opvolgster van prof. Peter Nissen), werkt voor de komende jaren aan twee onderzoeksprojecten. Het eerste heeft als titel <em>Identiteit en Inquisitie. Over de vorming van een confessionele identiteit met behulp van een kerkjuridische organisatie</em>. Dit project richt zich op de Inquisitie van de 16<sup>e</sup> eeuw, vooral op een tot dusver onderbelicht aspect ervan, namelijk de rol van de Inquisitie als instrument in de confessionele strijd in Frankrijk en Nederland. In het bijzonder staat de vraag centraal hoe een middeleeuwse organisatie zich transformeerde tot een vroegmodern instrument dat, onder de controle van voornamelijk wereldlijke heersers, kon dienen tot de vorming van een confessionele identiteit die in nauw verband staat met de opkomst van een nationale identiteit. Prof. M&uuml;llers tweede onderzoeksproject richt zich op <em>Kerstening en de religieuze discriminatie van de zigeuners in Westeuropa met name in de 15<sup>e</sup> en 16<sup>e</sup> eeuw</em>. De bronnen voor deze vroege periode van het optreden van de Roma en Sinti in Westeuropa zijn bijzonder schaars (in tegenstelling tot die voor de late 16<sup>e</sup> en 17<sup>e</sup> eeuw): het onderzoek is hoofdzakelijk aangewezen op een klein aantal kronieken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht inzicht te krijgen in de godsdienst van de zigeuners. Allereerst staat de vraag centraal waarom de zigeuners bereid waren zich te bekeren. Voorts wordt onderzocht hoe ze vervolgens een eigen vorm van christendom cre&euml;erden, waarmee ze altijd de verdenking van ketterij of van &lsquo;heidendom&rsquo; opriepen. In dit licht moet ook de vraag gesteld worden waarom &ndash; in tegenstellling tot de geschiedenis van de joden en de heksenvervolging &ndash; tot nu toe zo weinig aandacht aan de geschiedenis van deze minderheid geschonken werd.<br />
Het onderzoek van dr. Elisabeth Hense was tot 2007 gericht op de Rijnlandse mystiek. Dit onderzoek resulteerde in een ingeleide en becommentarieerde editie van een laatmiddeleeuws mystiek traktaat (samen met Nel Kouwenhouven): <em>Waar de ziel haar naam verliest. Handschrift Brussel KB 3067-307 </em>(Leuven 2007). Haar huidige onderzoek richt zich op het begrip van de &lsquo;onderscheiding der geesten&rsquo; in de christelijke spirituele traditie. Dr. Hense is thans bezig met een omvattende vergelijkende studie van alle belangrijke teksten over de onderscheiding. Tot 2010 staan vooral teksten uit de eerste zes eeuwen van de geschiedenis van het christendom centraal. Na 2010 hoopt zij haar onderzoek te kunnen voortzetten in de richting van de latere Middeleeuwen.<br />
De periode die wij plegen aan te duiden als de Middeleeuwen neemt eveneens een belangrijke plaats in binnen het onderzoek van de Nijmeegse Islamologen en specialisten van het Midden-Oosten. Prof. Harald Motzki doet onderzoek naar de vroege periode van de islamitische beschaving (7<sup>e</sup>&ndash;10<sup>e</sup> eeuw n. Chr.). Hij bestudeert de beeldvorming over deze periode in islamitische bronnen en onderzoekt de bruikbaarheid van deze bronnen voor een historische reconstructie van de vroege islam. De vanuit religieus perspectief belangrijke bronnen, de Koran en de overleveringen over de profeet Mohammed, de eerste moslimgeneraties en de opvattingen van de vroege islamitische geleerden, staan centraal in zijn onderzoek. Prof. Motzki&rsquo;s onderzoek is ingebed in twee verschillende onderzoeksinstituten, te weten HLCS (Faculteit der Letteren) en RST (Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen). Prof. Gerard Wiegers houdt zich bezig met een latere periode van de islamitische cultuur. Zijn onderzoek richt zich met name op Arabische bronnen voor de religieuze geschiedenis van de relaties tussen moslims, christenen en joden in middeleeuws en pre-modern Spanje en de Maghreb. De vorming van een religieuze identiteit van de verschillende groepen neemt een belangrijke plaats in binnen zijn onderzoek. Hij werkt aan een aantal kritische uitgaven met vertalingen evenals aan vergelijkende studies. Een van de teksten waarmee prof. Wiegers zich op dit moment bezig houdt is <em>Kit&acirc;b ta&rsquo;y&icirc;d al-milla</em>, een anoniem polemisch geschrift geschreven in Aragon in de vroege veertiende eeuw. Prof. Herman Teule, die tevens directeur is van het aan de Radboud Universiteit gelieerde Instituut voor Oosters Christendom (IVOC), doet onderzoek naar de christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten (vooral in Irak, Syri&euml;, Libanon en Turkije) onder de titel <em>The Syriac Renaissance (1050&ndash;1306)</em>. Focus van zijn onderzoek zijn de vroegchristelijke wortels van deze gemeenschappen alsmede hun positie binnen een dominante islamitische omgeving gedurende de Middeleeuwen. Hij houdt zich in het bijzonder bezig met auteurs uit de zgn. Syrische Renaissance, zoals bijvoobeeld Michael de Syri&euml;r, Bar&rsquo; Ebroyo en Abdi&scaron;ō b. Brikā. Tevens begeleidt hij aan het IVOC enkele promovendi, onder wie drs. Carmen Fotescu met een promotie-onderzoek over <em>The Ascetical Work of Athanasius Abu Ghalib</em>.<br />
Ten slotte kan worden vermeld dat in de loop van 2006&ndash;2008 ook de aan het Titus Brandsma Instituut verbonden onderzoekers zijn ondergebracht bij het programma <em>Reframing Spirituality</em>. Relevant voor de medi&euml;vistiek zijn hier vooral de projecten van dr. Inigo Bocken, dr. Charles Caspers, dr. Rudolf van Dijk en dr. Rijcklof Hofman (zie ook hieronder bij Titus Brandsma Instituut).<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;<br />
<strong>Universitair onderzoeksprogramma &lsquo;Christelijk Cultureel Erfgoed&rsquo; (CCE)</strong><br />
De Faculteiten Letteren, Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen vormen, tezamen met het Titus Brandsma Instituut (TBI), kern van het sinds 1998 bestaande universitaire onderzoeksprogramma <em>Christelijk Cultureel Erfgoed</em> (CCE). Dit programma houdt zich bezig met de geschiedenis van het Christendom en de christelijke cultuur alsmede met de studie van de christelijke overlevering vanuit het perspectief van de vorming tot christen. CCE is het enige onderzoeksprogramma binnen de geesteswetenschappen dat door het College van Bestuur van de Radboud Universiteit is aangewezen als zwaartepunt voor onderzoek. De betrokken onderzoekers beschouwen dit als een aanwijzing dat het College ook haar eigen erfgoed, namelijk een lange onderzoekstraditie van voortreffelijke medi&euml;visten aan de Radboud Universiteit, in ere houdt. In 2008 berust de leiding van het programma bij de &lsquo;stuurgroep CCE&rsquo; bestaande uit prof. Jos Koldeweij, prof. Marit Monteiro, prof. Peter Raedts (voorzitter), alle drie namens de Faculteit der Letteren, prof. Peter Nissen namens de Faculteit der Theologie, prof. Hans Thijssen namens de Faculteit der Filosofie en prof. Hein Blommestijn namens het TBI. Het onderzoeksprogramma CCE van de Faculteit der Letteren wordt op andere wijze gefinancierd, maar is inhoudelijk uiteraard nauw verbonden met het universitaire programma.<br />
Het universitaire CCE is onderverdeeld in vier aandachtsgebieden: (1) de christelijke instellingen, (2) het christelijk denken, (3) de christelijke spiritualiteit, en (4) de christelijke verbeelding. Alle aan afzonderlijke onderzoekers toebedeelde projecten zijn ondergebracht in een van deze gebieden. Hieronder worden per aandachtsgebied kort de in uitvoering zijnde of recent afgeronde projecten genoemd, voor zover deze (mede) betrekking hebben op de periode van v&oacute;&oacute;r de komst van de Reformatie.<br />
&nbsp;<br />
<em>De christelijke instellingen</em><br />
- Het project <em>De seculiere kapittels van het middeleeuwse bisdom Utrecht </em>wordt uitgevoerd door dr. Jan Kuijs. Dit project leidde tot enkele tussentijdse publicaties, onder meer (samen met Paul Trio en Marjan De Smet) <em>An Inquiry into Secular Influence on Ecclesiastical and Religious Matters on a Local Urban Level</em> (Kortrijk 2006).<br />
- <em>De handschriften (en vroege drukken) uit vrouwenkloosters van de Moderne Devotie in het zuidoosten van Nederland en het aangrenzende Duitse gebied</em>. Dit project wordt uitgevoerd door dr. Hans Kienhorst. In het kader van dit project zijn enkele studies vervaardigd maar ook is editiewerk verricht. Daarnaast houdt Kienhorst zich bezig met de studie en beschrijving van de handschriften uit het klooster Soeterbeeck. Aan deze handschriften wordt in 2009&ndash;2010 een tentoonstelling gewijd.<br />
- <em>Monasticon Carmelitanum Neerlandicum</em> is vanaf 2003 tot 2007 uitgevoerd door dr. Antoine Jacobs. Het betreft een repertorium van alle kloosters die vanaf 1249 tot heden in Nederland bestaan hebben van de Orde van Broeders en Zusters van O.L. Vrouw van de Berg Karmel (te verschijnen in 2009).<br />
&nbsp;<br />
&nbsp;<br />
<em>Het christelijk denken</em><br />
- Einde 2005 is het promotieproject van drs. Femke Kok gestart met de titel <em>De rol van de theologie in de metafysica van Johannes Buridanus</em>. Centraal in het onderzoek staan de wisselwerking tussen theologie en filosofie alsmede de vraag naar het bestaan van een autonome filosofie in het werk van een denker die zelf overigens nooit theoloog is geworden.<br />
&nbsp;<br />
<em>De christelijke spiritualiteit</em><br />
- Het project <em>De liturgische identiteit van de Moderne Devoten, met bijzondere aandacht voor de Congregatie van Windesheim en het werk van Thomas van Kempen (1380&ndash;1471</em>) wordt uitgevoerd door dr. Charles Caspers. Dit project heeft geleid tot publicatie van verschillende artikelen en twee boeken (beide samen met Peter Jan Margry): <em>Identiteit en spiritualiteit van de Amsterdamse Stille Omgang </em>(Hilversum 2006) en <em>101 bedevaartplaatsen in Nederland</em> (Amsterdam 2008).<br />
- <em>De geestelijke brief in het Middelnederlands (13<sup>e</sup>&ndash;16<sup>e</sup> eeuw</em>) werd vanaf 2003 tot eind 2007 uitgevoerd door dr. Mikel Kors. Doel van dit project was het verkrijgen van inzicht in het functioneren van geestelijken en hun rol bij de inrichting van het geestelijk leven van leken en religieuzen. Uit eerder onderzoek verscheen van de hand van Kors <em>De bijbel voor leken. Studies over Petrus Naghel en de Historiebijbel van 1361</em> (Leuven en Turnhout 2007).<br />
- <em>De deugden in de Lage Landen, 1200&ndash;1500</em> heette het promotie-onderzoek dat in de periode 2002&ndash;2006 werd verricht door dr. Krijn Pansters. Dit onderzoek resulteerde in november 2007 in een promotie op het proefschrift<em> De kardinale deugden in de Lage Landen, 1200&ndash;1500 </em>(Hilversum 2007).<br />
&nbsp;<br />
<em>De christelijke verbeelding</em>:<br />
- <em>Pelgrimstekens in de marges van getijdenboeken</em> is de titel van het promotieonderzoek dat vanaf 2003 wordt verricht door drs. Hanneke van Asperen. Dit project beoogt inzicht te verkrijgen in (a) de rol die bedevaartsouvenirs speelden in de laatmiddeleeuwse devotie en (b) de aard van de relatie tussen de oorspronkelijke objecten en hun weergave in de manuscripten. Bij het onderzoek gaat ook aandacht uit naar de wisselwerking tussen wat de Moderne Devotie voorstond en de zogenoemde &lsquo;lekenvroomheid&rsquo;. Dit onderzoek staat in nauwe relatie met het grootschalig inventarisatieproject KUNERA, een internationale, geautomatiseerde registratie en documentatie van het middeleeuwse pelgrimsteken (URL: www.let.ru.nl/ckd/kunera).<br />
- <em>Stalla. Medieval Choir Stalls</em> heet het gedigitaliseerde koorbanken databaseproject dat vanaf 2006 wordt uitgevoerd door drs. Christel Theunissen. Met dit project wordt beoogd om alle figuratieve onderdelen van de nog bestaande en de niet meer bestaande maar wel gedocumenteerde koorbanken in Nederland en Vlaanderen te inventariseren. Het betreft religieuze maar meer nog profane voorstellingen die een schat aan informatie bieden over onderdelen van de toenmalige volks- en elitecultuur, waarover de geschreven bronnen vaak zwijgen.<br />
&nbsp;<br />
Om de cohesie tussen de verschillende projecten van het universitaire CCE te bevorderen worden er halfjaarlijks gespecialiseerde bijeen-komsten gehouden, in de vorm van workshops, waar de onderzoekers ofwel hun probleemstelling ter discussie kunnen stellen, ofwel de resultaten van hun onderzoek kunnen confronteren met die van collegae in binnen- en buitenland. Daarnaast profileert CCE zich breder d.m.v. tweejaarlijkse publiekscongressen. Op 23 november 2007 had &nbsp;het congres als thema <em>Oost-West. Christelijk en Islamitisch cultureel erfgoed</em>. Bij die gelegenheid werd tevens de bundel gepresenteerd van het publiekscongres uit 2005: C. Caspers, P. Nissen en P. Raedts (red.), <em>Heiligen en hun wonderen. Uit de marge van ons erfgoed, van de late middeleeuwen tot heden</em> (Budel 2007).<br />
In bovenstaand overzicht valt vooral de centrale plaats op van de Moderne Devotie, hetgeen geheel in lijn is met de onderzoekstraditie van de Nijmeegse universiteit. Deze bijzondere aandacht heeft een nieuwe impuls gekregen dankzij de zogenoemde Soeterbeeck-overeenkomst (april 1998) tussen de Priorij Soeterbeeck en de Radboud Universiteit, met als doel het Moderne Devotie onderzoek in Nijmegen duidelijker te profileren en daarbij tevens te streven naar samenwerking met onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland.<br />
&nbsp;<br />
<strong>Titus Brandsma Instituut (TBI) </strong><br />
Het belang van het para-universitaire Titus Brandsma Instituut voor de medi&euml;vistiek is voornamelijk gelegen in het daar verrichte onderzoek naar de Moderne Devotie. In 1989 nam het TBI de taak op zich om de kritische editie te verzorgen van de geschriften van Geert Grote. Vanaf 1997 wordt het editiewerk verricht door dr. Rudolf van Dijk en dr. Rijcklof Hofman. De tekstedities verschijnen in de reeks <em>Corpus Christianorum &ndash; Continuatio Mediaeualis</em>. Het werk van Van Dijk resulteerde in de monumentale uitgave van de <em>Prolegomena ad Gerardi Magni Opera omnia = Die Forschungslage des gesamten Schrifttums (mit Ausnahme des Stundenbuches) </em>(2003). Door Hofman zijn reeds uitgegeven <em>Ioannis Rusbrochii Ornatus Spiritualis Desponsationis Gerardo Magno interprete</em> (2000) en <em>Gerardi Magni Contra Turrim Traiectensem </em>(2003). Thans werkt Hofman aan de editie van Grote&rsquo;s <em>Sermo ad clerum traiectensem de focaristis</em> (uitgave voorzien in 2009).<br />
De reeds vermelde Soeterbeeck-overeenkomst betekende ook voor het TBI een impuls voor het onderzoek naar de Moderne Devotie. De co&ouml;rdinatie van het Moderne Devotie onderzoek binnen het TBI is in handen van dr. Charles Caspers. De werkzaamheden spitsen zich vanaf 2004 toe op twee hoofdthema&rsquo;s: de betekenis van &lsquo;innerlijkheid&rsquo; binnen de spiritualiteit van de Moderne Devotie en de <em>Navolging van Christus</em> van Thomas van Kempen. In 2006 resulteerde dit teamwerk in een gezamenlijke publicatie: <em>Nuchtere mystiek. Navolging van Christus</em> (Kampen). In 2006&ndash;2008 is het onderzoek van het TBI ondergebracht binnen het bovengenoemde programma <em>Reframing Spirituality</em>. Binnen dit programma zijn niet alle historische projecten strikt gerelateerd aan de Moderne Devotie. Zo neemt Caspers deel aan een project over middeleeuwse &lsquo;Sacramenten van Mirakel&rsquo; en een project over <em>libri ordinarii.</em><br />
&nbsp;<br />
<strong>Faculteit der Rechtsgeleerdheid</strong><br />
Het medi&euml;vistisch onderzoek aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid wordt gedragen door prof. E.C. Coppens, tevens lid van de Advisory Board van het Stephan Kuttner Institute of Medieval Canon Law, en dr. Paul van Peteghem. Prof. Coppens bereid een editie voor van de anonieme dertiende-eeuwse summa op het Decreet van Gratianus met&nbsp; als incipit <em>Animal est substantia</em> (ook wel de <em>Summa Bambergensis</em> genoemd). Een gedeelte van de tekst is reeds online beschikbaar (URL: <a href="http://web.me.com/eccoppens/Animal_est_substantia/Introduction.html" target="1"><u>http://web.me.com/eccoppens/Animal_est_substantia/Introduction.html</u></a>). Op dit adres is ook een toelichting op de tekst te vinden. Naast zijn werk aan de summa <em>Animal est substantia</em> heeft prof. Coppens ook de online publicatie van de ordo iudiciarius <em>&lsquo;Sapientiam&rsquo;</em> in voorbereiding en van de volgende apparaten (glosssen op het Decreet van Gratianus):&nbsp;<em>Omnis qui iuste iudicat</em>;<em> Sicut vetus testamentum</em>;<em> Quoniam omissis centum distinctionibus</em>;<em> Quoniam in omnibus rebus animaduertitur</em>;<em> Ius aliud divinum</em>. Dr. Paul Van Peteghem is betrokken bij het NWO programma <em>Ecclesiastical Law and &lsquo;Ecclesia Belgica&rsquo;. The Emperor Charles V&rsquo;s dream shattered? </em>Dit programma houdt zich bezig met het zogenaamde patronaatsrecht. In het bijzonder zal het traditionele beeld van het patronaatsrecht (als het recht &lsquo;om de pastoor van een in de heerlijkheid gelegen kerk aan te wijzen en voor benoeming voor te dragen aan de bisschop, die de aangewezene dan institutie verleende&rsquo;) worden genuanceerd. Gezien de verwarring over de relatie tussen collatierecht en patronaatsrecht, zal de vraag van de definitie een belangrijke component van het onderzoek vormen. Ofschoon binnen dit project het accent ligt op de 16<sup>e</sup> eeuw, wordt ook aandacht besteed aan de middeleeuwse wortels van dit juridische leerstuk. Tevens wordt in dit programma het canoniek recht gelieerd aan de kerkgeschiedenis en de algemene geschiedenis.<br />
&nbsp;<br />
Paul Bakker (met dank aan prof. Sible de Blaauw en dr. Charles Caspers)<br />
(november 2008)<br />
<br />]]></description>
			<pubDate>Thu, 03 Nov 2011 11:56:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/research/30]]></link>
		</item><item>
			<title>Disciplines</title>
			<description><![CDATA[<div style="text-align: justify;">
	Op deze pagina vindt u informatie over de stand van zaken in het onderzoek in de disciplines Arabisch, Archeologie, Oudgermanistiek, Kunstgeschiedenis en Oudromanistiek.</div>
<h4 style="text-align: justify;">
	<br />
	<br />
	De Arabische cultuur in de Nederlandse Medi&euml;vistiek</h4>
<div style="text-align: justify;">
	Welke kant moet het de komende jaren op met het onderzoek van de middeleeuws Arabische cultuur?&nbsp; Even ter toelichting: de middeleeuwen nemen we hier ruim, namelijk als de tijd van de voormoderne, traditionele cultuur. Ruwweg de periode van de zevende eeuw tot 1800. Daar is van alles op af te dingen, maar dat voert hier te ver.<br />
	&nbsp;<br />
	Het vakgebied is complex, want natuurlijk valt ook de studie van de islam als godsdienst eronder. Die is ruim in de aandacht, en niemand kan het ontgaan dat de mensen elkaar in verband daarmee voortdurend met middeleeuwse teksten om de oren slaan. Internet en andere media lopen ervan over, en de islamitische boekwinkels (ook die in Nederland: breng maar eens een bezoek aan de markt in Beverwijk) puilen uit van de herdrukken en vertalingen van oude islamitische teksten en van boekjes waarin die teksten worden ge&euml;xcerpeerd en gerecycled.<br />
	&nbsp;<br />
	Dat heeft allemaal natuurlijk ook de aandacht van onderzoekers uit allerlei disciplines, en met de&nbsp; islamstudie gaat het uitstekend aan de Nederlandse universiteiten. De leerstoelen op dat gebied zijn de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond geschoten. De sociaal-wetenschappelijke invalshoek is daarbij natuurlijk belangrijk, maar er wordt ook onderzoek gedaan dat in een medievistisch kader te plaatsen valt. Middeleeuwse theologie, filosofie, rechtswetenschap, geschiedenis ook, het valt allemaal onder de islamstudie, en wat dat betreft ziet de toekomst er rooskleurig uit, tenminste zolang er voldoende besef (ook bij bestuurders en geldgevers) blijft dat een grondige bestudering van de klassieke islam relevant is, ook voor goed begrip van de islam van vandaag.<br />
	&nbsp;<br />
	Het is belangrijk dat dat gebeurt, en vooral dat het gebeurt op een manier waarbij een wetenschappelijk kritische benadering, en niet de normatieve islam uitgangspunt is. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Veel van de jonge onderzoekers op dit terrein zijn afkomstig uit islamitische landen, zijn vaak ook opgeleid aan godsdienstige instellingen in die landen, en maken dan pas hier kennis met &ndash; bijvoor-<br />
	beeld&nbsp; &ndash;&nbsp; de historisch-kritische benadering. Dat vraagt extra aandacht bij de begeleiding. In MA-studies zoals de MA Islamologie in Leiden, waar veel van dit soort studenten voor inschrijven, moet hiervoor dan ook veel tijd worden ingeruimd. Belangrijk is het wel: onafhankelijk, historisch-kritisch onderzoek van en rondom teksten (want om teksten gaat het grotendeels toch, als we het over oudere cultuurperioden hebben) die met de godsdienst te maken hebben kan eigenlijk alleen uitgevoerd worden in landen waar de politieke invloed van godsdienstige groeperingen dat niet verhindert, en in Nederland is dat gelukkig zo, al is ook daar het gevaar niet denkbeeldig dat men uit verkeerd begrepen &eacute;gards ten opzichte van moslims de normatieve islam een zwaarwegende rol geeft in onderwijs en&nbsp; onderzoek (dit speelt soms in discussies rond de opleiding Islamitische Theologie, de &ldquo;imam-opleiding&rdquo;).<br />
	&nbsp;<br />
	Dat wat de medi&euml;vistische kant van de islamstudie betreft. Maar er is natuurlijk veel meer. Als we het over de middeleeuws islamitische cultuur hebben gaat het natuurlijk niet alleen om godsdienstgerelateerde onderwerpen. Om nu maar even bij het Arabisch te blijven: ik illustreer dat altijd graag door mensen te wijzen op de twaalf dikke rode delen van de GAS, <em>Geschichte des arabischen Schrifttums. </em>Een groot bibliografisch werk dat de eerste vier eeuwen van de islamitische cultuur, dus vanaf het begin tot aan het midden van de 11<sup>e</sup> eeuw bestrijkt. Hoeveel van die delen gaan er specifiek over godsdienstige literatuur, zoals de verschillende Koranwetenschappen, de heilige overlevering, het islamitisch recht en de theologie? Alleen het eerste deel. Er is een deel over de po&euml;zie, er zijn&nbsp; twee delen over taal-wetenschappen, namelijk lexicografie en grammatica,&nbsp; en de rest gaat over allerlei takken van wetenschap, zoals geneeskunde, veeartsenij, farmacologie, plantkunde, zo&ouml;logie, wiskunde, sterrenkunde en geografie. Dat heeft ongetwijfeld ten dele te maken met de belangstelling van Fuat Sezgin, de samensteller, maar het zegt ook veel over de aard van het (nog bekende en bewaarde) intellectuele erfgoed van de islamitische cultuur, en het is goed om aan de hand hiervan nog eens te benadrukken hoeveel van dat erfgoed nauwelijks iets met godsdienst te maken heeft. Arabisch schrijvende niet-moslims, zoals joden en christenen, hadden er trouwens vaak een belangrijk aandeel in.<br />
	&nbsp;<br />
	Fuat Sezgin&rsquo;s <em>GAS </em>&nbsp;beslaat de eerste vier eeuwen van de islam, en in de eeuwen daarna verandert er natuurlijk wel wat: sommige genres ontwikkelen zich sterk, andere minder. De&nbsp; commentaarliteratuur breidt, zoals te verwachten is, erg uit. Het encyclopedische genre neemt een hoge vlucht, en op literair gebied zien we ook nieuwe ontwikkelingen, zoals het ontstaan van grote volksepen. Beide genres verdienen de aandacht van medi&euml;visten, ook omdat ze prachtig onder te brengen zijn in bredere medi&euml;vistische onderzoeksverbanden, zoals dat vroeger al eens gebeurd is met de Alexanderroman. Dat heeft ook een grote meerwaarde, omdat daardoor vergelijkend onderzoek van overeenkomstige genres en verschijnselen veel gemakkelijker tot stand komt, en dat levert allerlei verrassende nieuwe inzichten op. De overeenkomsten tussen de middeleeuws islamitische en Europese culturen zijn vaak verrassend groot, ook zonder dat er sprake is van directe be&iuml;nvloeding.<br />
	&nbsp;<br />
	Een enorm bestand aan schriftelijke cultuuruitingen dus, dat in het kader van de medi&euml;vistiek voor allerlei disciplines van belang is. Geschiedenis bijvoorbeeld; de tijd dat men daar strikt eurocentrisch te werk kon gaan is natuurlijk allang voorbij. Dat kan niet meer, zeker niet gezien de toenemende stroom van studenten en promovendi met niet-Europese wortels aan de Nederlandse universiteiten.&nbsp; Het is dan ook mooi om te zien dat Arabistisch onderzoek al gewoon is ingebed in afdelingen geschiedenis, zoals aan de UvA (dr. Maaike van Berkel). Dan is er de wetenschapsgeschiedenis. Wetenschapshistorici van allerlei richtingen (wiskunde, astronomie, geografie bijvoorbeeld) kunnen niet om de Arabische traditie heen. De teksten die ze nodig hebben zijn meestal&nbsp; niet in een Europese taal vertaald, en veel ervan is zelfs nog niet eens in druk beschikbaar. Teksten uitgeven! We kunnen er niet omheen als we echt verder willen komen. Het gebeurt gelukkig ook; de recente promotie van de Irani&euml;r Mohammed Bagheri, die een grote middeleeuwse wiskundige tekst uitgaf, is een voorbeeld. Denk daarbij ook aan de unieke collecties die Nederland bezit: alleen in de Leidse collecties van oosterse handschriften ligt al zoveel dat nog lang niet voldoende bestudeerd is.<br />
	&nbsp;<br />
	Mooi onderzoeksterrein allemaal, waarvoor natuurlijk wel voldoende kennis van het Arabisch (of Perzisch, of soms ook Osmaans Turks) nodig is. Dat betekent dat er in de MA-fase, of daarna, nog flink wat extra taalkennis verworven moet worden. MA-studies die geheel of ten dele aan academische instellingen in de Arabische wereld (of, als het om Perzisch gaat, in Iran) worden gevolgd zouden daarbij nuttig kunnen zijn, en het verdient aanbeveling die te ontwikkelen. Nederlandse instituten in het buitenland, al of niet in samenwerking met instellingen ter plaatse, zouden daar een uitstekende rol in kunnen vervullen, en op die manier kan ook goed geworven worden onder studenten en potenti&euml;le promovendi ter plaatse, in Cairo bijvoorbeeld.<br />
	&nbsp;<br />
	In zijn algemeenheid zullen mensen uit de Arabische (etc.) wereld aangemoedigd moeten worden om aan Nederlandse universiteiten onderwerpen uit hun eigen culturele erfgoed te komen bestuderen. Niet uitsluitend binnen conglomeraten van Midden-Oostenstudies, maar ook juist&nbsp; in bredere onderzoekskaders, zoals literatuurwetenschap, middel-eeuwse geschiedenis, filosofie, medische geschiedenis, geschiedenis van de wis- en sterrenkunde. De kaders daarvoor liggen er al gedeeltelijk. Ik noemde al de afdeling Geschiedenis aan de UvA, en, wat de wetenschapsgeschiedenis betreft: in Utrecht en Leiden is prof. Jan Hogendijk, Geschiedenis van de wiskunde, heel actief in het opzetten van samenwerkingsverbanden met Midden-Oosterse universiteiten, en dat levert regelmatig MA-studenten en promovendi uit die regio op. Dat zijn bij uitstek richtingen om verder in te investeren.<br />
	&nbsp;<br />
	Ook het onderzoek van Arabische papyri, en in samenhang daarmee van andere papyri, zoals dat ge&euml;ntameerd wordt door de nieuwe hoogleraar Arabisch te Leiden (prof. Petra Sijpesteijn), zit op deze lijn. En er is de islamitische kunst en materi&euml;le cultuur: dat die, zoals in Leiden, een ge&iuml;ntegreerde plaats heeft gekregen binnen de afdeling kunst-geschiedenis is een prima ontwikkeling.<br />
	&nbsp;<br />
	Het integreren van onderzoek naar de Arabische cultuur uit het verleden in brede academische kaders is niet alleen om wetenschappelijke, maar ook om andere redenen van belang, juist in Nederland.&nbsp; In toenemende mate bestaat namelijk de indruk (ook bij mensen met een Arabische&nbsp; achtergrond) dat Arabische cultuur gelijk staat aan islam. Kennis van het rijke culturele verleden van de Arabische wereld heeft men niet of nauwelijks, en besef dat de godsdienst helemaal geen dominante factor was in de ontwikkeling van allerlei takken van wetenschap en cultuur is er al helemaal niet.&nbsp; Daar moeten de universiteiten iets aan doen, in onderwijs maar vooral ook in onderzoek. Ik herhaal nog maar even een passage uit mijn afscheidscollege van 16 november j.l.:&nbsp; als de universiteiten (en van de hen financierende overheid) geen moeite meer doen om Nederlanders, en speciaal Nederlandse jongeren van Arabische afkomst, te laten zien dat de Arabische cultuur meer omvat dan islam, wie dan nog wel? Thuis horen ze dat heus niet. Toen ik na afloop van een cursus Inleiding in de Arabische literatuur de studenten eens vroeg welke verrassingen de cursus hen had opgeleverd, antwoordde een student van Marokkaanse afkomst: &ldquo;Ik had nooit gedacht dat er in het Arabisch liefdespo&euml;zie kon bestaan.&rdquo; En een ander schreef: &ldquo;Ik had altijd gedacht dat de klassieke Arabische literatuur alleen uit saaie dikke boeken over de godsdienst bestond.&rdquo;<br />
	&nbsp;<br />
	Het is van groot belang dat al die (vaak jonge) Nederlanders met een Midden-Oosterse of Noord-Afrikaanse achtergrond zien dat hun culturele identiteitsgevoel niet uitsluitend aan de islam als godsdienst hoeft te worden ontleend, maar dat er veel meer is: een indrukwekkend intellectueel en artistiek erfgoed, dat binnen de daarvoor relevante wetenschapgebieden serieus wordt genomen en zichtbaar is in onderwijs en onderzoek. Dat is een zaak die op de lange termijn belangrijk is en waarin ge&iuml;nvesteerd moet worden. Ter wille van de wetenschap, maar ook uit respect voor de culturele wortels van een groot aantal Nederlanders.<br />
	&nbsp;<br />
	Remke Kruk<br />
	(mei 2008)<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify;">
	De beoefening van de archeologie van de Middeleeuwen in Nederland</h4>
<div style="text-align: justify;">
	In 1990 verscheen bij gelegenheid van het afscheid van de eerste hoogleraar archeologie van de Middeleeuwen H.H. &lsquo;Carlos&rsquo; van Regteren Altena, een aan hem opgedragen bundel met de titel Medieval Archaeology in the Netherlands. Het was een fraai overzicht van de stand van zaken op het gebied van de archeologie van de Middeleeuwen zoals die in Nederland werd beoefend. De emeritus zelf schreef de inleiding: On the growth of young medieval archaeology: a recollection. In 1990 was de beoefening van de archeologie van de Middeleeuwen in Nederland inderdaad een ontluikend vak, bijvoorbeeld gemeten aan het bescheiden aantal dissertaties met een middeleeuws archeologisch onderwerp tot op dat moment geschreven.<br />
	Bij die vaststelling moeten drie kanttekeningen worden gemaakt. De eerste is dat de archeologie van de Middeleeuwen als jongste loot aan de archeologische boom als eerste buiten academische contexten werd beoefend door een snel groeiende groep stadsarcheologen, die allen wetenschappelijke ambities hadden, maar niet altijd over de mogelijkheden beschikten die ten volle te ontplooien. Een situatie waar nu alle archeologie&euml;n die op Nederlands grondgebied actief zijn mee te maken hebben na de invoering van de gewijzigde monumentenwet.<br />
	De tweede kanttekening is dat ondanks de bescheiden omvang van de groep &lsquo;middeleeuwse archeologen&rsquo; het Nederlandse onderzoek op dat moment internationaal zeer gewaardeerd werd. Dat betrof dan vooral het nederzettingsonderzoek uitgevoerd in het kader van regionale onderzoeksprogramma&rsquo;s. Getuige daarvan is bijvoorbeeld de ruime aandacht die dat onderzoek krijgt in het handboek Early Medieval Settlements. The archaeology of Rural Communities in North-West Europe 400-900 van Helena Hamerow. Andere toppers daarin zijn het Deense en Noord-Duitse onderzoek.<br />
	De derde kanttekening is dat onderzoek wel internationaal bekend was, maar dat het Nederlandse onderzoek zelf weinig internationaal geori&euml;nteerd was. In de bovengenoemde bundel Medieval Archaeology<br />
	in the Netherlands staat vrijwel niets omtrent onderzoek buiten de landsgrenzen. In die zin was het vakgebied &lsquo;Middeleeuwse archeologie&rsquo; vooral een archeologie van Nederland in de Middeleeuwen.<br />
	Mijn perceptie is dat de beoefening van de &lsquo;Middeleeuwse archeologie&rsquo; in Nederland er sindsdien niet echt op vooruit is gegaan en dat er iets moet gebeuren om Nederland weer een internationaal gewaardeerde positie te verschaffen.<br />
	Ons handelsmerk bij uitstek, &lsquo;nederzettingsonderzoek in een regionale context&rsquo;, is internationaal verbleekt. Daar zijn verschillende redenen voor. Ik denk dat de twee belangrijkste de volgende zijn: internationaal is wat betreft het opgraven van nederzettingen Nederland niet meer zo uniek. In landen als Frankrijk, Belgi&euml; en Itali&euml; heeft een enorme inhaalslag plaatsgevonden waardoor hoogwaardig nederzettings-onderzoek nu vrijwel overal in Europa plaatsvindt. Het is niet meer nodig naar Nederland te kijken. Dat is vervelend omdat we onze internationale status nu juist ontleenden aan wat men bij ons kwam bekijken. Een tweede belangrijke oorzaak voor internationaal statusverlies is de zeer lage publicitaire output voor een internationaal academisch publiek. Ook daar zijn weer verschillende oorzaken voor. Niet-universitaire archeologen publiceren vaak voor een ander publiek zoals opdrachtgevers, de bewoners van een stad of regio, etc. Terecht. Een ander punt is het verdwijnen van goede publicatiemogelijkheden, waar nog te publiceren? Nog een ander punt zijn de relatief hoge kosten van internationaal publiceren (vertaal- of correctiekosten, veel illustraties, etc). Het is zoals ik historici wel eens heb horen beweren: archeologen bouwen wel nesten (vinden van alles), maar leggen geen eieren.<br />
	Om dat laatste probleem (publiceren) aan te pakken is het initiatief genomen te komen tot een nieuw internationaal tijdschrift MEDIEVAL AND MODERN MATTERS. Archaeology and Material Culture in the Low Countries, uit te geven door Brepols Academic Publishers. Het is een begin.<br />
	<br />
	Om de Nederlandse Middeleeuwse archeologie weer een gerespecteerde plaats te geven in de internationale arena is echter meer nodig dan het cre&euml;ren van publicatiemogelijkheden. Het moet niet alleen substantie, maar ook inhoud en kwaliteit hebben. Archeologen, aangesteld aan universiteiten zullen het voorbeeld moeten geven. Dat betekent dat zij zich terdege zullen moeten bezinnen op hun rol in de archeologische omgeving waarin zij opereren. Dat is tot op heden vooral de archeologie beoefening &Iacute;N Nederland V&Aacute;N Nederland geweest. Zowel de IN als de VAN moeten heroverwogen worden.<br />
	<br />
	De beoefening van de Middeleeuwse archeologie IN Nederland wordt nu vooral gekenmerkt door de omstandigheden die zijn ontstaan als gevolg van de invoering van de gewijzigde monumentenwet, die het Nederlandse archeologische bestel grondig heeft veranderd. Ik wil hier niet op details ingaan, maar enkele in mijn ogen algemene gevolgen noemen. De eerste zijn positief: een enorme toename van het aantal opgravingen, de zee van gegevens wordt alsmaar groter, en de toename van het aantal professionele archeologen. Aangezien de Middeleeuwen (en Moderne tijd), in archeologische termen de bovenste laag in het landschap vormen (veel gebouwen staan zelfs nog overeind) en in principe het minst verstoord is, vormt die een relatief omvangrijk deel van de toegenomen archeologische opgravingactiviteit. Duidelijk is evenwel dat deze toename vooralsnog vooral kwantitatief van aard is en niet kwalitatief.<br />
	Belangrijker, op langere termijn zijn mijns inziens gevolgen voor de inhoudelijke beoefening van het vak. De commercialisering van de opgravingen en het aanbestedingencircuit daaromheen heeft in feite een einde gemaakt aan de bestaande regionale projecten waarmee we internationaal scoorden. Het is nu niet zeker of je een vervolgopgraving op hetzelfde terrein of in dezelfde gemeente ook krijgt. Deze versnippering lijkt voor de inhoudelijke ontwikkeling van het vak niet goed, er zullen wegen gezocht moeten worden om de sterke kanten van het regionale onderzoek weer terug te brengen in de nieuwe praktijk. Een van de grand old men van de Nederlandse archeologie van de Middeleeuwen, W.A. van Es, formuleerde het treffend in zijn opening van de Reuvensdagen, het nationale archeologiecongres, in 2007 in Deventer: wat de archeologie in Nederland gaat opbreken is het in toenemende mate ontbreken van continu&iuml;teit in onderzoek.<br />
	Een ander gevolg van de nieuwe situatie is een toenemende parochialisering in het denken en doen. Veel archeologen opereren nu binnen de kaders die een Nederlandse wet stelt, in Nederland. Wat er in de nieuwe opgraafarcheologie gevraagd wordt, gaat dat Nederlandse kader niet of nauwelijks meer te boven. Kijken naar wat er over de grens gebeurd lijkt in toenemende mate overbodig.<br />
	Andere interessante gevolgen zijn intellectueel van aard. De nieuwe archeologische situatie vloeit voor uit een gewijzigde monumentenwet. Behoud in situ (ter plaatse) is het beleidsdoel, opgraven, hoewel dat in de praktijk vrijwel altijd gebeurd en waaraan de meeste jonge archeologen hun inkomen danken, is in de nieuwe archeologische voorstellingswereld aan de negatieve zijde van een waarderingsschaal terecht gekomen. Het idee is dat je dat pas doet als het niet meer anders kan. Dat is een afglijden vanuit een situatie waarin alleen het opgraven van &oacute;nbedreigde vindplaatsen als ongewenst werd gezien. Het opgraven zelf was positief. Een merkwaardige intern-archeologische ontwikkeling want opgraven is binnen de archeologie als wetenschap een centrale methode van onderzoek, zonder opgraven (bijna) geen archeologie. Bovendien heeft het publiek vooral een beeld van archeologen als opgravers. In deze nieuwe voorstellingswereld is de suggestie dat je een onbedreigde vindplaats wilt opgraven ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek min of meer vloeken in de kerk. In het buitenland behoren deze opgravingen tot het normale totaalpakket van de &lsquo;archeologie&rsquo;, een teken van beschaving denk ik.<br />
	In samenhang met die sterk gegroeide dominantie van het denken in termen van monumenten vloeit ook een bijna monocultuurlijk intellectuele aandacht voor &lsquo;landschap&rsquo; in het onderzoek voort, ook aan universiteiten. Luister naar een gemiddelde Nederlandse archeoloog en binnen enkele zinnen noteer je verschillende malen het woord &lsquo;landschap&rsquo;. Alsof er niets anders meer te onderzoeken is. Dat is met name voor de archeologie van de Middeleeuwen IN Nederland en haar internationale ambities nogal hinderlijk. Ik kom daar op terug.<br />
	Eerder gaf ik aan dat als de Middeleeuwse archeologie IN Nederland weer internationaal mee wil tellen universitaire archeologen het voorbeeld moeten geven en het voortouw zullen moeten nemen. De archeologiebeoefening IN Nederland noopt archeologen aan univer-siteiten evenwel tot een grondige heroverweging van hun positie. Dat is al eens eerder gezegd, maar heeft nog niet tot veel zichtbare resultaten geleid. Moeten we ons niet ontworstelen aan die specifiek Nederlandse context, om onszelf&nbsp; de kans te geven internationaal weer mee te tellen? Moeten we meedraaien in een opgravingspraktijk die wellicht toch onvoldoende de mogelijkheden verschaft die we nodig achten hoewel er gunstige uitzonderingen te noemen zijn? Of moeten we dat achter ons laten om tijd vrij te maken voor twee andere belangrijke activiteiten nodig voor een verdere internationalisering: syntheses maken en participeren in internationale projecten? De praktijk leert dat beide, met de beperkte middelen waarover de academische archeologie in Nederland beschikt (de beschaving) moeilijk te combineren zijn. Persoonlijk denk ik dat we die keuze zouden moeten maken: alleen nog maar opgraven voor zover onderwijs dat noodzakelijk maakt en wellicht valt dit zelfs te regelen met goed opgravende partners buiten de academische wereld. Of in termen van sommige historici: minder nesten bouwen en meer eieren leggen.<br />
	Indien universitaire middeleeuwse archeologen &lsquo;schone handen archeologen&rsquo; worden zullen zij in hun synthetiserende werk de archeologie IN Nederland ook in intellectuele zin enigszins achter zich moeten laten. Het zijn met name de archeologen van de Middeleeuwen die tegenover die monocultuurlijke aandacht voor het landschap andere themata kunnen plaatsen. Ik vermoed dat de middeleeuwse archeologie IN Nederland internationaal weer mee gaat tellen als zij zich richt op de studie van wezenlijke cultuurprocessen zoals de Christianisering, de ontwikkeling van culturele groepen en groepsculturen, de ontwikkeling van uitwisselingssystemen en economische transformaties en stadontwikkeling. Landschap zal echter altijd een interessant onderwerp blijven, evenwel binnen het kader van bovengenoemde thema&rsquo;s. Het is overbodig nogmaals te melden dat de publicitaire activiteiten ge&iuml;ntensiveerd moeten worden en met name die voor een internationaal academisch publiek.<br />
	<br />
	Behalve overwegingen ten aanzien van de middeleeuwse archeologie IN Nederland zijn er ook die ten aanzien van de middeleeuwse archeologie VAN Nederland. Tot op heden bestond er een grote overlap tussen beide, de middeleeuwse archeologie IN Nederland was vooral die VAN Nederland. Wil de archeologiebeoefening van de Middeleeuwen IN Nederland weer internationaal meetellen zal zij haar blik en werkveld internationaal moeten verbreden. Het is tekenend dat de formele leeropdracht van de enige hoogleraar archeologie van de Middeleeuwen (en moderne tijd) luidt: historische archeologie van Europa benoorden de Alpen. Ik houd dat meestal geheim omdat het lachwekkend is in een internationale setting. Middeleeuws Europa bestaat bij de gratie van de verbindingen tussen het noorden en het mediterrane gebied en het zijn deze relaties die al sinds Henri Pirenne en Alfons Dopsch in het centrum van de belangstelling staan. Deze relaties zullen ook in de middeleeuwse archeologiebeoefening&nbsp; in Nederland een belangrijke rol moeten gaan spelen. Het is van het grootste belang dat Nederlandse middeleeuwse archeologen participeren in internationale programma&rsquo;s waarin dit soort zichtlijnen van belang zijn. Eerste verkenningen worden daartoe uitgevoerd, zowel in zuidelijke als noordelijke richting. We zijn meer welkom dan we verwachtten, een gunstig voorteken.<br />
	<br />
	Er valt zeker meer te zeggen over de toekomst van de middeleeuwse archeologiebeoefening in en van Nederland. Onbesproken is de samenwerking met andere medi&euml;visten, historici, architectuurhistorici, kunsthistorici, waar onze natuurlijke habitat ligt. Het is niet zozeer onbesproken omdat die samenwerking niet belangrijk is, eerder omdat die vanzelfsprekend was en is.<br />
	<br />
	Frans Theuws<br />
	(augustus 2008)<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify;">
	De toekomst van de Oudgermanistiek in Nederland</h4>
<div style="text-align: justify;">
	Nb. Dit stuk is op te vatten als een prepublicatie van een uitvoeriger artikel dat ik volgend jaar hoop te publiceren. Daarom zie ik hier af van voetnoten en literatuurverwijzingen.<br />
	<br />
	Op 25 april van dit jaar nam Tette Hofstra afscheid als bijzonder hoogleraar Oudgermanistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarmee was eindelijk het laatste Nederlandse bastion van het vak gevallen: aan geen enkele universiteit kan men het nu nog studeren. Natuurlijk is dit enigszins gechargeerd. Ten eerste behoudt Alasdair MacDonald, hoogleraar Historische taal- en letterkunde van het Engels, op papier de structurele leeropdracht Oudgermaans. Deze werd in 1985 bij het emeritaat van de laatste &lsquo;echte&rsquo; hoogleraar Oudgermanistiek, Andries Kylstra, aan de zijne toegevoegd. Ten tweede hield eerder dit jaar, op 19 februari, Arend Quak zijn oratie als nieuwe bijzonder hoogleraar Oudgermaanse Filologie aan de Universiteit Leiden. Hij is verbonden aan de vakgroep Vergelijkende Indo-Europese Taalkunde aldaar.<br />
	We zijn kortom &eacute;&eacute;n bijzondere leerstoel Oudgermanistiek kwijtgeraakt, terwijl er anderzijds door Leidse inspanningen net een nieuwe gecre&euml;erd is. De situatie blijft echter treurig: op basis van de leeropdracht van MacDonald wordt in Groningen weliswaar nog een minor Oudgermanistiek aangeboden, maar dat is het dan ook. En dat terwijl Groningen, na verschillende bezuinigingen en centralisaties die sinds de jaren &rsquo;80 hadden plaatsgevonden, tot enkele jaren geleden de laatste universiteit was waar men nog Oudgermanistiek kon studeren.<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Oudgermanistiek in Nederland</strong><br />
	Het vak Oudgermanistiek bestaat dus niet langer als volwaardige studierichting. Dat er desondanks aan enkele universiteiten te hooi en te gras het een en ander wordt aangeboden is mooi, maar het zijn de ru&iuml;nes van wat eens een bescheiden maar volwaardige studierichting was. Deze bestond naast historische taalkunde van de diverse Germaanse talen uit een letter- en cultuurkunde van het Germaans en &lsquo;de Germanen&rsquo;. En dat laatste is wat er weggevallen is in het geweld van voortdurende bezuinigingen. Daarop kom ik zodadelijk terug. In deze paragraaf wil ik echter kort schetsen wat de Oudgermanistiek in Nederland nog wel voorstelt.<br />
	Daarom eerst aandacht voor de bloeiende tak van de Oudgermanistiek: de historische taalkunde. Deze floreert en is goed ingebed in een internationale context. Voorbeelden van hoe goed we het in Nederland op dit gebied doen zijn niet moeilijk te vinden. Ik noem de diverse dissertaties en publicaties uit de school van de Leidse Indo-europeanisten Alexander Lubotsky en zijn voorganger Robert Beekes en de hier eveneens gestarte <em>Leiden Indo-european Etymological Dictionary Series</em>, die in 2005 het spits afbeet met de <em>Old Frisian Etymological Dictionary</em> van Dirk Boutkan en Sjoerd Siebinga, een samenwerking met de Fryske Akademy. Verder wordt&nbsp; aan het eveneens Leidse Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) niet alleen het <em>Etymologisch Woordenboek van het Nederlands</em> (in samenwerking met de UvA), maar ook het <em>Oudnederlands Woordenboek</em> gemaakt.<br />
	Arend Quak, op dit moment dus de enige hoogleraar Oudgermanistiek in Nederland, is lid van de redacties van beide woordenboeken, maar geeft eveneens al jaren het internationaal goed bekende tijdschrift <em>Amsterdamer Beitr&auml;ge zur &auml;lteren Germanistik</em> uit. Hoewel <em>Amsterdamer Beitr&auml;ge</em> een overblijfsel is van een fleuriger verleden, namelijk toen aan de UvA nog een studie Oudgermaans bestond, is het toch een internationaal podium voor publicaties op het gebied van de Oudgermanistiek in zijn brede vorm. Niet alleen historische taalkunde, maar ook bijvoorbeeld runeninscripties en Oudijslandse sagas worden er in behandeld.<br />
	Veel onderzoekers die zich Oudgermanist noemen of toegeven dat wat ze doen vroeger tot de Oudgermanistiek werd gerekend zijn lid van de Vereniging van Oudgermanisten (VOG). Deze werd in 1987 opgericht toen de vernietigende uitwerking van de eerste bezuinigings-golven voelbaar begon te worden. Een van de hoofddoelen was de onderlinge contacten tussen Oudgermanisten in Nederland en Vlaanderen veilig te stellen en te bevorderen. In het eerste decennium van haar bestaan groeide de vereniging tot ca. 120 leden. En op dat aantal is het de afgelopen 10 jaar blijven steken: een teken dat er een verzadigingspunt is bereikt. De VOG organiseert jaarlijks een Oudgermanistendag in het voorjaar en een themadag in het najaar. In het <em>Mededelingenblad van de Vereniging van Oudgermanisten</em> (dat het zelfde sobere uiterlijk heeft als deze nieuwsbrief) worden de (talrijke!) publicaties van leden, interessante nieuwe publicaties in het vakgebied en colleges in de diverse Oudgermaanse talen bijgehouden.<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>De Oudgermanistiek is dood</strong><br />
	Als we het bovenstaande in ogenschouw nemen zouden we kunnen menen dat het met de Oudgermanistiek toch nog niet zo slecht gaat. Toch wil ik de stelling verdedigen dat de Oudgermanistiek in Nederland dood is. Mijn argumenten zijn twee&euml;rlei. Ten eerste is het eenvoudigweg zo dat Oudgermanistiek niet langer een aparte universitaire studie is aan een Nederlandse universiteit.<br />
	Hier dient zich de casus van de Keltologie aan als vergelijkings-materiaal. Altijd al een Nederlands <em>unicum</em> in het universitaire land-schap, gevestigd aan de Universiteit Utrecht, heeft dit vak op miraculeuze wijze stand kunnen houden. Het bestaat tegenwoordig uit een bescheiden vakgroep van een hoogleraar en twee docenten, die jaarlijks zo&rsquo;n 20 &agrave; 25 studenten bedient. De Keltologie is in alle opzichten vergelijkbaar met de Oudgermanistiek. De een richt zich op de studie van de Keltische taalfamilie, de ander op die van de Germaanse. Wat de Vereniging van Oudgermanisten is voor de Oudgermanistiek, is de Stichting A.G. van Hamel voor Keltische Studies voor de Keltologie. Ooit was er overigens een tijd dat geleerden (vanuit een Indo-europees perspectief) beide disciplines beheersten: Van Hamel was zowel Oudgermanist als Keltoloog.<br />
	Mijn tweede argument is zwaarwegender, en hangt samen met het eerste. Omdat Oudgermanistiek geen zelfstandige discipline meer is, heeft het geen eigen paradigma. Voor het historisch-taalkundige aspect van het vak varen de beoefenaars mee met de internationale stroom. Zoals gezegd, hier valt niets op aan te merken en de Nederlandse bijdrage is van hoge kwaliteit. Maar voor de cultuurkundige kant van hun vak dobberen Oudgermanisten een beetje met Medi&euml;visten en &lsquo;filologen&rsquo; mee. Zo is de Oudgermanistiek grotendeels verworden tot een vak waarin men middeleeuwse tekstgenres in de volkstalen bestudeert.<br />
	Een deel van het probleem dat zich hier voordoet is het besmet zijn van de term &lsquo;Germanen&rsquo; na de Tweede Wereldoorlog. Opnieuw kan de Keltologie als spiegel dienen. Het mededelingenblad van de Van Hamelstichting heet kortweg <em>Kelten</em>. Het zou nooit in de hoofden van de Oudgermanisten opkomen om hun mededelingenblad <em>Germanen</em> te noemen. Toen enkele jaren geleden een nieuw trendy tijdschrift ter promotie van de noordelijke provincies gelanceerd werd, met de titel <em>Noorderland</em>, wees mijn collega aan de Fryske Akademy Johan Frieswijk er fijntjes op dat deze titel in de periode&nbsp; &rsquo;40-&rsquo;45 ook gebruikt was voor het blad van de Nederlandse afdeling van de SS. Hier was de associatie echter in vergetelheid geraakt en werd niet zwaarwegend genoeg geacht. Het nieuwe <em>Noorderland</em> bestaat nog steeds. De &lsquo;Germanen&rsquo; zijn echter halve paria&rsquo;s geworden: onaanraakbaren waar je maar beter met een grote boog omheen kunt lopen, of ontkennen dat ze ooit hebben bestaan. Je kunt er maar beter Geromaniseerden van maken, of Christenen. Ik chargeer natuurlijk opnieuw, maar probeer in korte halen de problematiek rond de beladenheid van het vak te schetsen.<br />
	Dat moet kort, want de instructie die ik bij het schrijven van dit stuk meekreeg was dat ik me niet te veel aan sombermansen mocht overgeven, maar moest laten zien welke mogelijkheden er liggen voor onderzoek. Daarom gaan we snel door naar de volgende paragraaf.<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Leve de Vergelijkende taal- en cultuurgeschiedenis van Noordwest-Europa</strong><br />
	Er zijn namelijk veel studies verricht in de afgelopen decennia die het mogelijk maken het vak Oudgermanistiek in Nederland te laten herrijzen uit zijn as. We hoeven de inzichten uit verschillende hoeken alleen maar te oogsten en samen te brengen.<br />
	Ten eerste moet de Oudgermanistiek alsnog de zelfreflectie en zelfreiniging betrachten die het vak na de Tweede Wereldoorlog achterwege heeft gelaten. Hiervoor zijn de afgelopen jaren prachtige voorzetten gedaan: Barbara Henkes met <em>Uit liefde voor het volk</em> (2005) voor de volkskunde en Martijn Eickhoff met <em>De oorsprong van het &lsquo;eigene&rsquo;</em> (2003) voor de archeologie. Volkskunde en archeologie zijn beide vanouds belendende vakgebieden. Henkes besteedt in haar studie bovendien veel aandacht aan Jan de Vries, die naast Oudgermanist ook volkskundige was. Dat werk is dus al gedaan.<br />
	Ten tweede is er veel onderzoek gedaan naar etniciteit en de vorming van de vroegmiddeleeuwse Germaanse <em>gentes</em> vanuit de Weense school van Walter Pohl. Hiervan kan veel geleerd worden. Het moet &eacute;&eacute;n van de fundamenten zijn waarop een nieuw paradigma gebouwd wordt. In dit verband moet overigens ook de congresreeks <em>Germania Latina</em> genoemd worden, die sinds de jaren &rsquo;90 door Tette Hofstra en Groninger collega&rsquo;s georganiseerd wordt, en die zich concentreert op de ontmoeting tussen Germaanse en Christelijk-Latijnse cultuur in de vroege middeleeuwen.<br />
	Welke ingredi&euml;nten zijn er nog meer nodig voor het vak waar ik over droom, Vergelijkende taal- en cultuurgeschiedenis van Noordwest-Europa? Ik stel me voor dat het een interdisciplinair vak is: het profiteert van de interdisciplinariteit die veel Medi&euml;visten reeds aan de dag leggen, en koppelt dat aan een kennis van historische taalkunde en het vermogen de uitkomsten van archeologisch onderzoek op waarde te schatten. Archeologen hebben heel veel onderzoek gedaan naar prehistorisch, Romeins en vroegmiddeleeuws Nederland, maar Oudgermanisten en Medi&euml;visten weten dit in Nederlandse context nauwelijk te vinden en te gebruiken. Ik ken er nauwelijks voorbeelden van. Wat dat betreft kan ik het niet eens zijn met Frans Theuws&rsquo; opmerking in het vorige nummer van deze nieuwsbrief, dat de samenwerking tussen archeologen en medi&euml;visten natuurlijk en vanzelfsprekend verloopt. Daar moet echt nog wel inspanning verricht worden.<br />
	Omdat mijn gedroomde vak in eerste instantie geografisch gedefinieerd is, raken we los van problematisch etnische labels. De Germaanse en Keltische taalfamilies (de termen zijn taalkundig: Germanen en Kelten hebben zichzelf nooit als zodanig bestempeld) kunnen onderzocht worden, evenals de cultuur die in deze gebieden en in deze teksttradities gecre&euml;erd is, echter zonder het ene &ndash; de taal &ndash; absoluut dwingend met het andere &ndash; de cultuur &ndash; te verbinden. En er kan getracht worden tot een reconstructie te komen van de betreffende culturen in de prehistorische fasen, waarvoor we geen directe geschreven bronnen tot onze beschikking hebben (maar dus wel archeologische artefacten en informatie over de staat van het landschap). Daarbij zal het lonen inzichten uit Oudgermanistiek en Keltologie met elkaar te verbinden (Sinds Van Hamel en zijn generatie zijn Keltologen geen Oudgermanisten meer, noch <em>vice versa</em>). Bovendien zal blijken dat verschillende culturele overeenkomsten verklaard kunnen worden door menselijke universalia, zoals ik in mijn boek over de eercultuur in middeleeuws Friesland heb laten zien, dat gebaseerd was op een onderzoek naar de Oudfriese boeteregisters.<br />
	Wat verder schreeuwt om onderzocht te worden is in hoeverre men in de verschillende historische perioden in Nederland &lsquo;iets&rsquo; heeft gehad met het Germaanse verleden. Auke van der Woud heeft hierover met betrekking tot de achttiende en negentiende eeuw het prachtige werk <em>De Bataafse Hut</em> geschreven. Vertrekkend vanuit dit ijkpunt kan het beeld van het Germaanse verleden van Nederland geschetst worden. Daarbij moet dit spoor tot in onze tijd vervolgd worden. Nog steeds zijn er mensen die de bron van hun spiritualiteit zoeken in een gedroomd Germaans verleden. Hierover is in Nederland nog niet of nauwelijks gepubliceerd. In Duitsland loopt men hier op ons voor dankzij de studies van onder andere Klaus von See en Stefanie von Schnurbein.<br />
	En daarmee besluit ik mijn pleidooi. Het is mijn overtuiging dat zolang de &lsquo;Germaanse&rsquo; wortels van Nederland een blinde vlek in ons collectief bewustzijn blijven, die geest op de meest ongewenste momenten wakker kan worden. Dat zal waarschijnlijk niet tot een Fortuyniaanse&nbsp; revolutie leiden, maar het is niet verstandig die gok te wagen. Laten we het vak Oudgermanistiek op een moderne, 21<sup>e</sup>-eeuwse wijze een nieuwe invulling geven: Vergelijkende taal- en cultuur-geschiedenis van Noordwest-Europa. En mag er dan alsjeblieft &eacute;&eacute;n opleiding komen? Hij hoeft niet veel groter te zijn dan Keltologie in Utrecht: een hoogleraar en een tweetal docenten. Met al het onderzoek dat door over de Nederlandse universiteiten verspreide academici gedaan wordt, en dat potentieel nog aan kwaliteit wint met een studierichting als ankerpunt, is dit genoeg om de geest niet te laten materialiseren en om prachtig nieuw, grensverleggend en interdiscplinair onderzoek te doen.<br />
	&nbsp;<br />
	Han Nijdam<br />
	(november 2008)<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify;">
	De perspectieven van de&nbsp; kunst- en architectuurgeschiedenis van de Middeleeuwen</h4>
<div style="text-align: justify;">
	Wie de geleidelijke terugloop van overheidsgeld naar het hoger onderwijs gedurende de afgelopen ca. dertig jaar bekijkt kan erg somber en bezorgd worden, en met alle reden. Als je daarna bekijkt wat wetenschappers in de geesteswetenschappen desondanks verrichten aan onderzoek, hoeveel ze gezamenlijk publiceren en welke interessante congressen en symposia e.d. worden georganiseerd, krijgt dan weer een gevoel van voldoening de overhand, omdat dit toch allemaal maar gebeurt. Deze twee zaken in combinatie wijzen in elk geval op een enorme werklust en een prijzenswaardige behoefte om te laten zien welke wetenschappelijke gebieden in Nederland voorhanden zijn. Wat betreft het brede terrein van de middeleeuwen is dat niet anders, ook al liggen er veel bedreigingen op de loer. Verschillende maatregelen, die deels toevallig en lokaal zijn, en deels voortkomen uit een zekere mate van sturing van de overheid en de verschillende universiteiten, vormen daarbij gezamenlijk een moeilijk te attaqueren front. Het merkwaardige en positieve is echter wel dat samen met de somberheid waaraan de medi&euml;vist licht ten prooi zou kunnen vallen, toch ook de mogelijkheden en productie belangwekkend en hoopvol zijn.<br />
	Aan verschillende universiteiten zijn binnen de kunstgeschiedenis de bakens enigszins verzet waar het gaat om de samenstelling van de wetenschappelijke staf en de invulling van de deelgebieden waarop de stafleden werkzaam zijn. Een werkelijke uitweg uit het vreemde dilemma waarin universiteiten zijn beland is nog niet voorhanden. Aan de ene kant groeit de behoefte van de universiteiten om zich te onderscheiden van andere, concurrerende instellingen, maar anderzijds vallen er ook zoveel gaten dat de noodzaak om samen te werken met opleidingen van andere instellingen groter wordt. Daarbij gaan soms &lsquo;natuurlijk verloop&rsquo; en planmatige aanpak samen. Het gevolg daarvan is dat op sommige universiteiten de kunstgeschiedenis van de middel-eeuwen een minder prominente plaats heeft gekregen dan voorheen wel het geval is geweest. Het blijkt steeds moeilijker te worden om een breed geori&euml;nteerde&nbsp; wetenschappelijke&nbsp; staf te&nbsp; handhaven&nbsp; waarmee&nbsp; het&nbsp; hele gebied van de kunstgeschiedenis op de verschillende niveaus van bachelor, master en promotie-begeleiding kan worden bediend.<br />
	Daarin schuilt zeker een gevaar waarmee in de komende jaren serieus rekening moet worden gehouden. Want de mogelijkheden voor studenten om binnen het vakgebied van de kunstgeschiedenis kennis te maken met de middeleeuwen zijn geleidelijk beperkter geworden, waardoor een kettingreactie kan ontstaan, die overigens ook op allerlei andere gebieden dreigt. Doorstroming van studenten naar promotie-plaatsen wordt daarmee bijvoorbeeld moeilijker, waarna vervolgens ook het afnemende aantal wetenschappelijke functies aan universiteiten de mogelijkheden voor jonge wetenschappers aanzienlijk beperkt. Waar het perspectief op toekomstig werk verschraalt, is het ook lastiger om studenten te werven.<br />
	Binnen de architectuurgeschiedenis als geheel is er een praktijk ontstaan waarin er sinds jaar en dag uitstekend functionerende bureaus en kleine bedrijven bestaan, die architectuurhistorisch onderzoek verrichten ten behoeve van verschillende overheden en andere opdrachtgevers. Daarin kan ook middeleeuws materiaal natuurlijk een rol spelen, maar de vraag naar dergelijk onderzoek wordt niet gestuurd vanuit een weten-schappelijke vraagstelling, maar vanuit een meer of minder specifiek belang van de betreffende instantie of opdrachtgever. Een erg positief effect van deze tendens is dat er onderzoek wordt verricht naar objecten die anders mogelijk aan de aandacht zouden ontsnappen. Ook de gehanteerde vraagstellingen kunnen prikkelend en inspirerend zijn voor een bredere groep van vakgenoten. Tegelijkertijd is duidelijk dat dergelijk onderzoek zich richt op Nederlands materiaal, of in elk geval materiaal dat in eerste instantie een belang en betekenis heeft in Nederland. En daarin schuilt een gevaar, want het internationale perspectief wordt daarbij vaak wel erg afhankelijk van de onderzoeker, en de mate waarin die dat een plaats weet te geven in dergelijk onderzoek. Kostenoverwegingen van de kant van de opdrachtgever kunnen dan al gauw de uitbouw van onderzoeksresultaten naar een ander niveau in de weg staan.<br />
	Ook een ander punt wordt daarmee aangeroerd. Onderzoek naar Nederlandse objecten en gebouwen is belangrijk, maar de internationale context is daarbij zeker voor medi&euml;vistisch onderzoek natuurlijk onontbeerlijk. Maar daarnaast is het voor het niveau van het onderzoek als geheel wezenlijk dat niet alleen kennis van de internationale context kan worden opgedaan, maar dat die internationale context zelf ook onderwerp van onderzoek en studie kan vormen. Met andere woorden: onderzoek doen in het buitenland naar objecten die daar aanwezig zijn. De mogelijkheden daartoe zijn er wel, maar het lijkt met de dag moeilijker te worden ze te benutten. Een eerste mogelijkheid kan een intensievere samenwerking met de Nederlandse wetenschappelijke instituten in het buitenland zijn, zoals die in Istanbul, Athene, Rome, Florence en elders. Onderzoekers kunnen van deze instellingen gebruik maken om hun onderzoek vanuit een zekere basis te verrichten (scheelt geweldig veel tijd om niet zelf instanties e.d. te hoeven vinden), en bovendien zouden die instituten wellicht nog meer dan nu het geval is de onderzoekers kunnen inzetten voor specifiek onderwijs aan studenten en promovendi. Uit ervaring weet ik hoe enthousiasmerend zoiets kan werken, omdat studenten en promovendi een kijkje in de keuken van een onderzoeker krijgen, en natuurlijk door verblijf in het buitenland al gauw contacten opdoen met andere buitenlanders. Haast tegen de tijdgeest van bezuinigingen in is het Europ&auml;isches Romanik Zentrum opgericht met een zetel in Merseburg, en verbonden met de universiteit van Halle. Bij uitstek internationale ambities kenmerken de opzet van deze instelling, die het internationale onderzoekers ook mogelijk maakt ter plaatse aan onderzoek te werken.<br />
	Onderzoek wordt steeds meer in de vorm van een programma met meer onderzoekers uitgevoerd, waardoor weliswaar grotere projecten mogelijk worden, maar anderzijds individuele ambities in de kiem gesmoord kunnen worden. Onderzoek in de geesteswetenschappen &ndash; en dat geldt ook voor de kunstgeschiedenis van de middeleeuwen &ndash; kan veelal ook heel goed door een individu worden uitgevoerd, dat niet binnen een veel groter project functioneert. Allerlei uiteenlopende kunsthistorische promoties (voltooide en bijna voltooide) laten dat zien. Binnen en buiten universiteiten wordt zulk individueel onderzoek ten onrechte echter steeds meer met argwaan bekeken en ook door regels waarmee onderzoek gestuurd wordt,&nbsp; nogal lastig gemaakt. Voor onderzoekers die (vooralsnog) buiten een universiteit werkzaam (moeten) zijn &ndash;&nbsp; maar ook voor collega&rsquo;s aan universiteiten &ndash; is het vaak ook erg lastig om met enige regelmaat buitenlandse congressen te bezoeken, omdat het werk zoiets moeilijk maakt of omdat de werkgever daarbij geen direct belang heeft. Daardoor kan deze groep geleidelijk steeds verder op afstand komen te staan van de onderzoekspraktijk en de uitdaging om daarin met interessante vraagstellingen te werken. Het bezoeken van congressen in het buitenland, al dan niet gecombineerd met het geven van een lezing, geeft impulsen op allerlei vlakken, want daardoor wordt het mogelijk jezelf als onderzoeker te meten met collega&rsquo;s van elders.<br />
	Internationalisering heeft al veel vaker op de agenda gestaan, maar lijkt me nu meer nodig dan ooit. Buitenlandse excursies zijn bij opleidingen kunstgeschiedenis noodzakelijk, omdat objecten in een andere oorspronkelijke context gezien moeten worden dan de Nederlandse, maar ook omdat ander materiaal gezien moet kunnen worden. Om die internationalisering ook in het onderwijs in de praktijk te brengen ga ik samen met een collega een experiment doen door een korte excursie te combineren met congresbezoek in het buitenland. Gebouwen en objecten bestuderen in de context waarin ze in de middeleeuwen hebben gefunctioneerd is daarbij &eacute;&eacute;n doelstelling, en ervaren wat internationale onderzoekers hebben onderzocht en wat die belangwekkend vinden aan die gebouwen en samenhangen is het andere doel. Het tonen van perspectief op het gebied van het onderzoek lijkt me een cruciaal element om ervoor te zorgen dat er over jaren ook op niveau onderzoek gedaan blijft worden naar de kunst- en architectuurgeschiedenis van de middeleeuwen.<br />
	Een laatste punt dat in elk geval genoemd moet worden is de interdisciplinaire samenwerking, die niet altijd geheel vanzelfsprekend is. Krachtige disciplines zoals de kunstgeschiedenis hoeven niet te vrezen onzichtbaar te worden in interdisciplinaire verbanden, want daarin dienen juist duidelijk herkenbare vakgebieden bij elkaar te rade te gaan. In de Nederlandse kunst- en architectuurgeschiedenis van de middeleeuwen is overigens al lang geleden de noodzaak voor discipline-overschrijdende samenwerking ingezien en veelal realiteit geworden door onderzoeksvragen voor een deel te concentreren op de context waarin opdrachten werden verleend en gebouwen en objecten moesten kunnen functioneren. Het oefenen in de formulering van zulke onderzoeksvragen in een onderzoeksomgeving, maar evengoed binnen het onderwijs, kan in combinatie voor zowel studenten als onderzoekers inspirerend zijn.<br />
	<br />
	Lex Bosman<br />
	(mei 2009)<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify;">
	Oud-Romanistiek in Nederland</h4>
<div style="text-align: justify;">
	De oud-romanistiek in Nederland: een wetenschappelijke traditie van formaat.<br />
	De Rijksuniversiteit Groningen bood in 1876 als eerste Nederlandse universiteit academisch onderwijs in de moderne talen aan. De eerste Groningse hoogleraar Franse taal- en letterkunde en Romaanse filologie (1884, Van Hamel), was dan ook tevens de eerste hoogleraar op dit gebied in Nederland. Op die manier had Nederland vanaf het begin internationaal een grote uitstraling binnen de romanistiek. In het begin van de twintigste eeuw had Groningen wederom een primeur door de aanstelling van de eerste vrouwelijke lector in Nederland (1907), Marie Elise Loke. Ook zij was romaniste van huis uit. De reputatie van de Groningse romanistiek werd in deze tijd bovendien nog eens extra onderstreept met de benoeming tot hoogleraar van J.J. Salverda de Grave. Deze kreeg als eerste een expliciete leeropdracht voor het Italiaans. De leerstoel Italiaans in Groningen is hiermee de oudste Nederlandse leerstoel op dit gebied. Het was dan ook Salverda de Grave die onder meer de eerste geschiedenis van de Italiaanse Letterkunde in het Nederlands schreef (1920). Als romanist en filoloog beperkte hij zich echter niet tot het Italiaans, maar publiceerde hij eveneens op het gebied van het Frans, Spaans en Occitaans. In het eerste kwart van de 20e eeuw bevorderde bovendien Fonger de Haan de studie van het Spaans en Portugees zonder aan de Faculteit verbonden te zijn. Met de benoeming van de romanist K. Sneyder de Vogel tot hoogleraar Frans komt de studie van de Romaanse Talen in een stroomversnelling. De oudste leerstoel, die gericht bleef op de Romaanse filologie, trok internationaal zeer gerenommeerde geleerden aan als Paul Zumthor en Pierre Guiraud. In 1953 wordt de eminente geleerde Peternolli, die van origine jurist was, eerst lector, en later hoogleraar. Ondanks de herstructureringen bleef het vakgebied van de romanistiek behouden met de benoeming tot hoogleraar van prominente romanisten als Willem Noomen en Martin Gosman.&nbsp; Noomens &lsquo;NRCF&rsquo;, oftewel&nbsp;&nbsp; Nouveau&nbsp; recueil&nbsp; complet&nbsp; des&nbsp; fabliaux in tien volumes (1983-1998) is nog altijd d&eacute; standaardreferentie bij uitstek van dit middeleeuwse genre, ook in Parijs! Met de benoeming in 2004 van Philiep Bossier op de leerstoel Oud-Romaans in Groningen kreeg deze voor het eerste sinds enige tijd weer een Italiaanse inkleuring. Veelzeggend is dat Zumthor al vrij snel na Groningen in Amsterdam werd benoemd en onder meer meehielp aan de internationale uitstraling van jonge Nederlandse romanisten, zoals de vroeg gestorven Nico van den Boogaard (UvA).<br />
	<br />
	Het Franse gebied: rencontres<br />
	Rencontres, Ontmoetingen: dat was het thema van de eerste Landelijke Studiedag voor onderzoekers op het gebied van de Franse literatuur en cultuur van middeleeuwen en vroegmoderne tijd die vorig jaar gehouden werd te Groningen (25 april 2008). Een tweede bijeenkomst heeft intussen plaatsgevonden in Utrecht (3 april 2009). Ter gelegenheid van de eerste ontmoetingsdag van dit nieuw ontstane samenwerkings-verband, dat voortbouwde op een eerder bestaande traditie van dergelijke studiedagen voor Franse medi&euml;visten, werd aan Ren&eacute; Stuip (UU) en Paul Smith (UL) gevraagd om het bestaande onderzoek op het gebied van Franse middeleeuwen en vroegmoderne tijd te plaatsen in de rijke traditie die in Nederland op ons vakgebied bestaat. De Nederlandse traditie op het overkoepelende gebied van de Occitanistiek werd die dag uiteengezet door promovendus Hedzer Uulders (RUG, nu Padova).<br />
	In deze lezingen kwam heel duidelijk tot uiting welk een vooraanstaande plaats het Nederlandse onderzoek op de genoemde vakgebieden heeft bekleed en welke grote specialisten in de voorgaande eeuw aan diverse universiteiten in Nederland werkzaam zijn geweest, voor kortere of langere tijd. Tegelijkertijd bleek uit de inventaris van het lopende onderzoek dat ons vakgebied op dit moment meer dan ooit &lsquo;springlevend&rsquo; is, en een duidelijke uitstraling geniet in binnen&ndash; en buitenland. Ten slotte werd door Alicia Montoya (RUG), &eacute;&eacute;n van de organisatoren, benadrukt dat er voor de oudere periode in Nederland vaak uniek tekstmateriaal ligt, zowel in bibliotheken als in archieven.<br />
	Het hierna volgende overzicht is een poging om de grote tendensen te schetsen van het lopende onderzoek aan de universiteiten&nbsp; in Nederland op het gebied van de Franse middeleeuwen en de vroege renaissance.<br />
	Het oergebied van de Occitanistiek wordt intussen weer beoe-fend, en dit onder meer dankzij H. Uulders (promovendus Universit&agrave; degli studi di Padova) die, onder begeleiding van F. Brugnoli, de laatste hand legt aan een definitieve en kritische corpusafbakening van het XIIIe&ndash;eeuwse subgenre van de Occitaanse (en Catalaanse) salut.<br />
	Wat het onderzoek op het gebied van de oudere Franse cultuur- en letterkunde kenmerkt, is dat in vele onderzoeksprojecten inderdaad de latere middeleeuwen, en daarbij ook de periode van overgang naar de renaissance, centraal staan. Dat kan ons niet verwonderen als we bedenken dat bij voorbeeld het Franse theater van de myst&egrave;res, farces, sotties, sermons joyeux en dergelijke een bloeiend leven kent tot medio zestiende eeuw. Oudere Franse theatergenres zijn dan ook de centrale focus in het NWO-project&nbsp; &lsquo;Recht en toneel&rsquo; (13e-16e eeuw) dat, onder leiding van Jelle Koopmans, een aantal onderzoekers bundelt aan de UvA en de UU. Hierbij wordt onderzocht hoe regelgeving en juridische praktijk bepalend geweest zijn voor toneeltradities en, in bredere zin, de voorstellingspraktijk in de publieke ruimte en in de priv&eacute;-sfeer. Wat dit project vooral interessant maakt, is dat tot op heden nooit eerder gebruikte bronnen een stem krijgen, en dat toneel in eerste instantie beschouwd wordt als een aspect van het gebruik van de publieke ruimte. Individuele projecten behelzen de verhouding tussen Kerkelijke regelgeving en de praktijk van de Kerkelijke rechtspraak (S. Gabay, UvA); de problematiek van regulering en verbod in de Franstalige Nederlanden in verband met de Reformatie (K. Lav&eacute;ant, UU), en tot slot de specifieke situatie in Parijs met een duidelijk accent op vroege acteurscontracten en de juridische status van het gesproken woord (M. Bouha&iuml;k-Giron&egrave;s, UvA). Een synthetische studie zal worden verzorgd door J. Koopmans (lid KNAW), van wiens hand ook een geschiedenis van het genre &lsquo;farce&rsquo; zal verschijnen. Het laatmiddeleeuwse theater, met name de studie van het taalgebruik in mysteriespelen en in de cris (de &lsquo;reclameteksten&rsquo; van de middeleeuwen), neemt ook een belangrijke plaats in binnen het onderzoek van Martijn Rus (tot voor kort werkzaam aan de UU). Door hem wordt ook het tweede deel van een tweeluik over &lsquo;onzin-poezie&rsquo; (fatrasies, resveries) voorbereid.<br />
	Een ander gebied waarnaar op verschillende plaatsen onderzoek wordt gedaan, is de studie van oud- en middelfranse Bijbelteksten. In Leiden gaat het vooral om tekstuitgaven van Bijbel- en aanverwante teksten (Julia Szirmai). Op dit moment is een editie in voorbereiding van de XIVe eeuwse Anglo-Norman Bible stories en ook van de Bible des sept estaz du monde van Geufroi de Paris (XIIIe eeuw). In Groningen houdt een van de deelprojecten van het ERC-project &quot;Holy Writ and Lay Readers&quot; zich bezig met de sociale geschiedenis van Franse Bijbelvertalingen (Margriet Hoogvliet). In Frankrijk zijn er relatief veel volkstalige Bijbels geproduceerd die een rol speelden in de vorstelijke &quot;representatio&quot;. Bronnenonderzoek laat zien dat deze Bijbels daadwerkelijk werden gelezen en ook gebruikt voor de liturgie. Over het lezen van Franstalige Bijbels in de stedelijke context is nu nog maar heel weinig bekend en daar zal het onderzoek zich de komende jaren voornamelijk op richten.<br />
	Symboliek en emblematiek spelen een belangrijke rol in het onderzoek naar tekstuele en visuele representaties van de vijf zintuigen in late middeleeuwen en (vroege) renaissance, dat plaats vindt aan de RUG (A. De Gendt).<br />
	De productie en receptie van Oud-Franse en Middelnederlandse letterkunde binnen de cultuurhistorische context van Lage Landen en Reichsromania is een thema dat aandacht krijgt aan de VU (J. van der Meulen). Het sluit nauw aan bij een eerder opgestart onderzoek naar de literaire cultuur aan het Hollands-Henegouwse hof. In het verlengde van de reeds vermelde rijke Nederlandse filologische traditie, nemen tekstedities ook nog steeds een belangrijke plaats in. Het gaat hierbij om werken van veel bestudeerde auteurs als Christine de Pizan (R. Stuip); tevens onderzoek naar aspecten van de vervaardiging van handschriften, maar ook om teksten van minder bekende auteurs. Te denken valt aan Jean Thenaud&mdash;Franciscaan in dienst van koning Fran&ccedil;ois Ier&mdash;wiens Triomphe des Vertus in meerdere delen recentelijk is verschenen, dan wel ter perse is (R. Stuip en T.J. Schuurs-Janssen). Naast de reeds genoemde Bijbeledities, wordt ook een uitgave van vierenvijftig Franse farces voorbereid (J. Koopmans); tegelijkertijd wordt aan de UvA gewerkt aan een driedelige heruitgave van alle Franse &#39;sotties&#39;.<br />
	In hun lezingen benadrukten zowel Stuip als Smith het maatschappelijk belang van vertalingen van Franse teksten naar het Nederlands. Dit is immers een beproefde manier om ons vakgebied toegankelijk te maken voor een groter publiek. In de serie Memorandum (Stuip en Szirmai) verschenen een zevental becommentarieerde vertalingen van bekende en minder bekende Oud-Franse teksten. Ook de prachtige lais van Marie de France zijn nu in het Nederlands beschikbaar, oorspronkelijk in versvorm en nu in proza (beide: P. Verhuyck en C. Kisling). E&eacute;n van Christine de Pizan&rsquo;s hoofdwerken, Le Chemin de longue &eacute;tude, kent inmiddels ook een Nederlandse versie (Stuip). Vertalingen naar het moderne Frans (en het Nederlands) hebben tevens een belangrijke functie gekregen in het onderwijs van de oudere literatuur, omdat het onderricht van het Oud-Frans vrijwel nergens meer structureel deel uitmaakt van het curriculum. Op zich een zorgelijke ontwikkeling&hellip; Wel ontstaat juist hierdoor ook een perspectief op het middelbaar onderwijs, waar de handige teksten uit deze reeks een uitstekende toegang bieden tot een gebied dat vroeger alleen voor specialisten openstond.<br />
	Ook hoopvol is dan weer de ontwikkeling van een relatief nieuw perspectief, nl.&nbsp; de studie van de receptie van de middeleeuwen in de 18e en 19e eeuw, het zogeheten medievalism. In de Verenigde Staten heeft de populariteit van dit onderzoeksterrein geleid tot een hernieuwde belangstelling voor ons vakgebied. Toonaangevend voor de voortzetting van de gevestigde traditie van prestigieuze projecten met grote internationale weerklank is, net als een aantal eerder genoemde projecten, ook&nbsp; het project waarin vroege vormen van medievalism centraal staan: &lsquo;Modernit&eacute; litt&eacute;raire et antiquit&eacute;s gauloises. L&rsquo;imaginaire m&eacute;di&eacute;val dans la litt&eacute;rature fran&ccedil;aise, 1685-1750&rsquo; (A. Montoya). Dat ook hier een nieuwe toon van gezonde ambitie doorklinkt, bewijst het aangekondigde grote congres hierover in juli 2010, RUG), met specialisten wereldwijd.<br />
	Bij de vergaderingen van het landelijke forum voor onder-zoekers op het gebied van de Franse middeleeuwen en vroegmoderne tijd zijn ook mogelijkheden onderzocht om de uitstraling van ons vakgebied te vergroten. Het bestaan van de Stichting van Romanisten aan de Nederlandse Universiteiten (SRNU, website www.romanisten.nl) kan hierbij een duidelijke rol spelen. Jaarlijks worden door de SNRU o.a. studiedagen georganiseerd voor docenten Middelbaar Onderwijs; het is de bedoeling dat hier regelmatig ook de Oudere Franse literatuur zal worden gedoceerd. Daar tref je immers diegenen die de belangstellenden van de toekomst in eerste instantie opleiden&hellip; Ook werd gesuggereerd om een landelijke studiedag te wijden aan de rol van vertalers en vertalingen, en het belang hiervan voor ons vakgebied. Ten slotte zou een samenwerkingsverband met de Vlaamse onderzoekers het forum en zijn uitstraling kunnen versterken.<br />
	<br />
	Een vroeg afscheid van de middeleeuwen? : Itali&euml;<br />
	Sneller dan in andere culturen ontstaat in Itali&euml; de overgang van middeleeuwen naar vroeg-humanisme en uiteindelijk de volle Renaissance. Daarom zijn heel wat onderzoekers in dit uiteraard vrij grote studiegebied in feite zowel beoefenaar van middeleeuwse studies als renaissancist. Op grond van deze constatering beperken we het overzicht hier tot een aantal opvallende strekkingen binnen het lopende onderzoek. Ten eerste bestaat er een bijna vanzelfsprekende band tussen beoefenaars van cultuuronderzoek en kunsthistorici op dit gebied. Opvallend is ook de aansluiting vanuit de vroeg-Italianistiek bij de internationale boekgeschiedenis. Verder wordt de specifieke inbreng van het noordelijke humanisme een intussen internationaal erkend sub-domein dat in Nederland aan vele faculteiten wordt beoefend. Een duidelijk accent hierbij is de kritische studie van retoriek. Niet zelden bevinden specialisten ter zake zich op de grens van letterenstudies en filosofie. Een voorbeeld hiervan is het onderzoeksproject &lsquo;Humanists as Philosophers&rsquo; van L. Nauta (RUG) dat in 2008 met een VICI-statuut werd bekroond en waarin zijn expertise rond Lorenzo Valla wordt gebruikt. Een constante in de vroege Itali&euml;-studies in Nederland is het accent op de 16de eeuw. Ook hier ontstaan internationale top-samenwerkingen, waarin Nederland de rol speelt van initiatiefnemer. Een voorbeeld hiervan is de structurele (en financi&euml;le) samenwerking van Utrecht (H. Hendrix) en Groningen (Ph. Bossier, H. van Veen) binnen het onderzoeksverband rond Cinquecento plurale.&nbsp; Hierbij staat een systematische her-evaluatie centraal van de generatie &lsquo;veelschrijvers&rsquo; na 1530 en hun rol bij de hertekening van het literaire landschap. Traditioneel bestaat er ook veel aandacht voor culturele stromingen en hun &lsquo;afterlife&rsquo; in een breed-Europese context. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van R. de Rooy (UvA) rond Dante-vertalingen en dat van een van zijn recente promovendi L. Rietveld (UvA) over de geschiedenis van de Orpheus-mythe.<br />
	<br />
	Ubi Sunt, of: waar zijn de hispanisten in de Medievistiek?<br />
	Wat is de plaats van de Nederlandse hispanistiek ten opzichte van de Nederlandse medi&euml;vistiek en wat is haar plaats ten opzichte van de Spaanse medi&euml;vistiek? In het volgende stuk zal beknopt worden gekeken naar de huidige situatie en de wijze waarop deze reflecteert op de mogelijkheden voor de toekomst voor een hispanistische medi&euml;vistiek in de lage landen.<br />
	&nbsp;&nbsp; &nbsp;De op de middeleeuwen en de vroegmoderne gerichte Nederlandse hispanistiek bevindt zich veraf van oorspronkelijk bronmateriaal in Madrid en Barcelona, alwaar kritische edities worden samengesteld en uitgegeven, vaak als onderzoeksprojecten van promovendi. Filologisch onderzoek aan de hand van oorspronkelijk bronmateriaal hier ter lande ligt derhalve minder voor de hand. Databases als www.cervantesvirtual.com geven in zekere mate de mogelijkheid om met digitale versies van bronmateriaal te werken, maar ook deze middelen kennen hun beperkingen. In de Benelux heeft de Asociaci&oacute;n de Hispanistas de Benelux zich het doel gesteld de hispanistiek in de Benelux een platform te bieden. De website van de AHBx (www.ahbx.eu.) toont echter geen specifieke onderverdeling in tijdvakken, die op een actieve consolidatie van op de middeleeuwen en de vroegmoderne geori&euml;nteerde hispanisten zou duiden. Sinds de vroege jaren negentig wordt met regelmaat vanuit Groningen het tijdschrift Foro Hispanico uitgegeven. Ook dit tijdschrift is gewijd aan de hispanistiek in haar geheel.<br />
	In Nederland is het vakgebied namelijk relatief klein. Zo is bijvoorbeeld enkel een beperkt deel van het curriculum van de studie Romaanse Talen en Culturen, hoofdvak Spaans, gewijd aan de Spaanse/Iberische middeleeuwen. Daarnaast zijn de studentenaantallen beperkt, waardoor onderzoekers tevens onderwijzers moeten kunnen zijn, waarbij het laatste een zekere breedte in de vorming vereist. Veelal ligt het onderzoekzwaartepunt bij degene die de Spaanse middeleeuwen en de vroegmoderne periode onderwijst dan ook op de Spaanse Gouden Eeuw.<br />
	Onderzoek wordt, gezien de structuren van de onderzoekscholen en de praktijk van de NWO-financiering, uitgevoerd in het kader van projecten en overkoepelende onderzoeksopdrachten. Het onderzoek is daardoor vaak thematisch van aard. Recente disciplineoverkoepelende benaderingen zijn: geheugen, geletterdheid, stedelijkheid. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de projecten Urban literacy, Medieval Memoria van de Universiteit Utrecht alsmede de gebieden als Text and Context of thema&rsquo;s als Poetics in Progress van de Rijksuniversiteit Groningen. In geen van de gevallen speelt een op de middeleeuwen gerichte hispanistiek een hoofdrol. Vanuit de Onderzoekschool Medievistiek &ndash; een nationaal orgaan - is er geen samenwerkingsverband met een Spaanse universiteit. De medi&euml;visten in Spanje (zie www.medievalistas.es) tonen over&nbsp; het algemeen een meer filologische inslag en een nadruk op oorspronkelijke bronnen in plaats van de eerdergenoemde thematische inslag. Ook wordt het onderzoek meer om specifieke personen (bijvoorbeeld schrijvers of aristocraten) en plekken georganiseerd. Dit zorgt voor een cultuurverschil tussen de Iberische op de middeleeuwen gerichte hispanistiek en haar Nederlandse zustervakgroep.<br />
	De Nederlandse/Groningse hispanistiek zal zich dus vanuit pragmatisch oogpunt moeten ontplooien binnen geijkte thema&rsquo;s, en zal aansluiting moeten zoeken aan overkoepelend onderzoek. Er zal echter, gezien het cultuurverschil in de onderzoekspraktijk tussen Spanje en Nederland, extra aandacht moeten worden besteed aan het dusdanig formuleren van onderzoeksvoorstellen dat ook de meer op concrete gevallen geori&euml;nteerde Spaanse medi&euml;vistiek zich aangesproken en uitgedaagd voelt.<br />
	Vanuit het perspectief van de hispanistiek zelf zou kunnen worden gesteld dat de Spaanse Cultuur en Geschiedenis dikwijls wordt gemarginaliseerd zoals de Postmoderne hispanist Paul Julian Smith heeft betoogd in &lsquo;Writing in the Margin&rsquo; (1988). Het lijkt, daarnaast, zo dat een in Nederland opererende hispanist eerder aansluiting zoekt bij andere disciplines dan andersom.&nbsp; In het artikel &lsquo;South of the Pyrenees: kings, magnates and political bargaining in twelfth-century Spain&rsquo; (2001) toont Esther Pasque niet alleen de uitzonderingsrol van Spanje in de ontwikkelingen van de Europese middeleeuwen aan maar wijst zij ook op de huidige blinde vlek in de Europese medi&euml;vistiek betreffende ontwikkelingen in de Iberische wetenschappelijke activiteit. Er valt dus iets te halen bezuiden de Pyrenee&euml;n. Eveneens valt er iets te brengen; het is daarom belangrijk om, vanuit de hispanistiek geredeneerd, resultaten in een breder geografisch of thematisch kader te plaatsen. Oftewel: hoe verhoudt zich de analyse van een Spaanse tekst tot de andere gebieden? Aandachtspunt is daarbij communicatie naar buiten de hispanistiek, waarbij de toevoeging bestaat uit de specifiek Spaanse invalshoek of casu&iuml;stiek. Dit valt goed te combineren met de recente nadruk op interdisciplinariteit en internationalisering. Concrete sterkten van de Nederlandse context zijn de meertaligheid en meer internationaal gerichte onderzoekscultuur in de lage landen, en van de daar opgeleide&nbsp; hispanisten. Het is met oog op een betere incorporatie van de Spaanse medi&euml;vistiek in de praktijk van belang om een samenwerkingsverband met een of meerdere Spaanse universiteit(en) aan te gaan. Wellicht kan daarbij gebruik worden gemaakt van de reeds bestaande samenwerkingsverbanden bij de Educatieve Master.<br />
	Laten wij afronden met een laatste Ubi Sunt? Waar zijn lieden als Damaso Alonso en Menendez Pidal die de Europese implicaties van ontwikkelingen in de Iberische letteren blootlegden? Wie gaat er aan de Nederlandse universiteiten het vaandel overnemen?<br />
	<br />
	N.B. Contactgegevens van de Spaanse vereniging voor medi&euml;visten:<br />
	www.medievalistas.es<br />
	info@medievalistas.es<br />
	Sociedad Espa&ntilde;ola de Estudios Medievales<br />
	c/ Albasanz, 26-28<br />
	28037 &bull; MADRID<br />
	<br />
	Contactgegevens van de Asociaci&oacute;n de Hispanistas de Benelux:<br />
	&nbsp;&nbsp; &nbsp;www.ahbx.eu<br />
	Dra. Diana Castilleja<br />
	Asociaci&oacute;n de Hispanistas del Benelux (AHBx)<br />
	Facult&eacute;s Universitaires Saint-Louis (FUSL)<br />
	Boulevard du Jardin Botanique 43<br />
	B-1000 Bruxelles<br />
	Conclusie: durf en ambitie als perspectief<br />
	<br />
	Uit dit korte overzicht moge blijken dat een stevige discipline van formaat nog altijd prominent meetelt in de brede Nederlandse medi&euml;vistiek. Sterker nog, er is sprake van een hernieuwde ambitie die intussen over de grenzen heen met enthousiasme wordt gevolgd. En dat kan tellen. Deze erkenning ligt ook aan het feit dat seniors en juniors uit het vakgebied de handen in elkaar slaan. Niet zelden komen de hoogst gekwalificeerde romanisten uit het buitenland zetelen in de leescommissies van jonge promovendi. Zo was J.-Cl. Schmidt (EHESS, Paris) heel nauw betrokken bij de cum laude promotie van B. Hellemans (UU, 2006, La forme et l&rsquo;objet du livre. Une lecture dynamique des Bibles moralis&eacute;es du XIIIe si&egrave;cle). Een duidelijk signaal is ook de continuering van de leerstoel Oudere Romaanse Cultuur- en Letterkunde in Groningen, zoals gezegd de oudste in dit vakgebied van de hele Nederlanden. Bij dit alles komt dat het Romaanse perspectief in de meeste gevallen als &eacute;&eacute;n unitair specialisatiedomein wordt gezien en een transnationaal onderzoek als een natuurlijk gegeven. Immers, juist de middeleeuwen en de vroegmoderne periode tonen aan dominante culturele patronen over de grenzen heen werkzaam zijn. De cluster rond de Romaanse culturen heeft ook hier een programmatische betekenis voor de hele medi&euml;vistiek.<br />
	Uit het overzicht blijkt, ten slotte, dat enkele specialisatie-domeinen in volle beweging zijn. Het volgende lijstje is dan ook een soort paspoort voor de toekomst:<br />
	a) een duidelijk accent op New Philology<br />
	b) internationale samenwerkingsverbanden gesetteld in Nederland met import van nieuwe expertise<br />
	c) specifieke voortzetting van jarenlange opgebouwde expertise, met name op het gebied van:<br />
	d) tekstedities,&nbsp; kritische uitgaven en vertalingen (ook voor breed publiek)<br />
	e) corpora<br />
	f) reconstructies van (sub)genre-geschiedenis en analyse van genredynamiek<br />
	g) contextualisering van de verhouding oraliteit / geschreven tradities<br />
	h) impact van boekgeschiedenis, format, illustratie, paratext, etc. op publiek<br />
	i) afterlife en visie op middeleeuwen als eye-opener voor culturen na 1600.<br />
	Deze accenten van het hedendaagse onderzoek hebben een grote pertinentie. Ze&nbsp; laten toe dat we gevestigde tradities herbekijken, kritisch afstand doen van a-priori en meehelpen aan de systematische vraagstelling rond onontgonnen gebieden van de Europese middeleeuwen en vroegmoderne tijd.<br />
	In die zin is de huidige evolutie van oud-romanistiek in Nederland de beste hommage aan de trendsetters en pioniers van het eerste uur. Niet voor niets is het grote Medievalisms-congres in Groningen van juli 2010 ook bedacht als een duidelijk erebetoon aan P. Zumthor, ontegensprekelijk een van de grootste medi&euml;visten ooit, en voor zijn benoeming in Montreal, hoogleraar in Amsterdam, en daarvoor gevestigd in Groningen.<br />
	<br />
	Philiep Bossier<br />
	Annemie De Gendt<br />
	Konstantin Mierau<br />
	(RUG)<br />
	(november 2009)<br />
	<br />
	&nbsp;</div>]]></description>
			<pubDate>Wed, 02 Nov 2011 19:08:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/research/disciplines]]></link>
		</item><item>
			<title>Organisatie van het onderzoek aan de deelnemende instellingen</title>
			<description><![CDATA[<div style="text-align: justify">
	Hieronder treft u een korte beschrijving van het lokale onderzoek van elk van de zes aan de school deelnemende universiteiten. &nbsp;De soms wat verouderde stukjes worden op korte termijn geactualiseerd.<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify">
	Rijksuniversiteit Groningen</h4>
<div style="text-align: justify">
	De Middeleeuwen worden aan de Rijksuniversiteit Groningen zowel in de tijd als geografisch breed opgevat. Ze lopen van ca. 200 (de kerstening van Europa) tot ca. 1600 (vroegmoderne tijd). Het geografisch gebied omvat Noord-Europa (IJsland, Scandinavi&euml;, de Oostzee), Oost-, West- en Zuid-Europa, en het Middellandse-Zeegebied (incl. het Nabije Oosten en Byzantium).<br />
	Aan de letterenfaculteit is het literair en historisch (inclusief kunsthistorisch) onderzoek ondergebracht in het Instituut voor Cultuurwetenschappelijk Onderzoek Groningen (ICOG). Het ICOG is niet chronologisch, naar periode, maar thematisch ingedeeld. De thematische velden worden bemand door leden van de in het ICOG participerende onderzoekscholen, waaronder de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek. Er bestaat ook een nauwe samenwerking met de Universiteitsbibliotheek, die niet alleen de website van de Onderzoekschool beheert, maar ook beschikt over een collectie handschriften en oude drukken, die onder het curatorschap van Gerda Huisman beschikbaar zijn voor opleidingsdoeleinden.&nbsp;Er wordt eveneens medi&euml;vistisch onderzoek verricht aan de Faculteiten Rechtsgeleerdheid, Godgeleerdheid en Wijsbegeerte. De medi&euml;visten daar zijn ondergebracht in eigen onderzoeksinstituten. Ze zijn echter vrijwel allen lid van de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek.<br />
	Er bestaat binnen de letterenfaculteit voor de periode late middeleeuwen-vroegmoderne tijd een onderzoekszwaartepunt, waaraan inhoud wordt gegeven samen met de lokale Onderzoekschool Geesteswetenschappen Groningen (OGWG). De onderzoekstijd van sommige hoogleraren is verdeeld tussen OGWG en de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek. OGWG biedt een programma aan voor promovendi waaraan ook Groningse medi&euml;visten kunnen deelnemen. Promovendi op middeleeuwse onderwerpen volgen in overleg een verplicht programma van seminars dat zwaluwstaart met het opleidingsprogramma van de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek.&nbsp;<br />
	De volgende medi&euml;vistische vakgebieden worden in Groningen door leden van de school op leerstoelniveau beoefend: Geschiedenis (Catrien Santing en Dick de Boer), Rechtsgeschiedenis (Bernard Stolte, thans directeur KNIR, Rome), Filosofie (Lodi Nauta), Latijn (Onno Kneepkens), Romaanse Talen (Philiep Bossier), Engels (Sebastian Sobecki en Alasdair MacDonald), Semitische Talen (Wout van Bekkum) en Nederlands (Bart Ramakers). (De benoemingen van Santing en Sobecki maken deel uit van dakpanconstructies; hun oudere collega&rsquo;s De Boer en MacDonald gaan binnen afzienbare tijd met emeritaat.) Momenteel loopt een opvolgingsprocedure voor de (gehalveerde) leerstoel Middeleeuws Latijn die sinds het emeritaat van Onno Kneepkens in 2009 vacant is. Door de komst van Sabrina Corbellini als Rosalind Franklin Fellow (een traject dat op termijn moet leiden tot een hoogleraarschap) is de aandacht voor de middeleeuwse boek- en leescultuur, die na het vroegtijdig overlijden van Jos Hermans in 2007 dreigde te verdwijnen, voor Groningen behouden. Verder maken de Middeleeuwen deel uit van de leeropdrachten van de hoogleraren Kunstgeschiedenis, Algemene Literatuurwetenschap en Fries. De betreffende leerstoelhouders zijn echter geen lid van de school. Behalve de hoogleraar kunstgeschiedenis (Henk van Veen) richten zij zich ook op andere perioden. Aan verschillende van de leerstoelen zijn uiteraard medi&euml;visten als universitair (hoofd)docent verbonden. Enkele specialismen zijn niet op hoogleraars- maar wel op u(h)d-niveau vertegenwoordigd. We vermelden hier in het bijzonder het Neolatijn (Zweder von Martels).<br />
	Het Groningse medi&euml;vistische onderzoek richt zich primair op de late Middeleeuwen en de zestiende eeuw en is multidisciplinair van opzet (hoewel er uiteraard ruimte is voor de beoefening van individuele specialismen en de bestudering van vroegere perioden). Het concentreert zich op het thema &lsquo;cultural en intellectual transfer&rsquo; en houdt zich bezig met vragen van transmissie en mobiliteit van mentaliteiten en idee&euml;n, in geografische, institutionele, mediale en biografische zin. Het thema krijgt in sociaal-economische zin invulling in de aandacht voor handel en daaruit voortvloeiende culturele contacten binnen de Hanze (het Hanze Studie Centrum), waarbij de nadruk geografisch gesproken ligt op Noord-Europa. Transmissie in intellectuele en artistieke zin (van studenten, wetenschappers, tekstdragers) breidt zich ook naar het westen (Groot-Brittanni&euml;) en zuiden (Frankrijk, Spanje, Itali&euml;) uit, tot in het Nabije Oosten. Rome en Florence zijn steden waarop in het bijzonder de aandacht is gericht (Geschiedenis, Kunstgeschiedenis, Romaanse Talen). Daarnaast is er aandacht voor de omstandigheden (instituties) en middelen (teksten, methoden) van lokale transmissie (kennisoverdracht door onderwijs, religieuze vorming via literatuur &ndash; toneel, po&euml;zie, preken, hagiografie, etc.) Aandacht voor transmissie kenmerkt ook het onderzoek naar de functie van taal en van vertalingen dat door medi&euml;visten binnen de faculteiten letteren en wijsbegeerte wordt verricht. Men voelt een bijzondere verantwoordelijkheid voor de transmissie van kennis en cultuur binnen, vanuit en n&aacute;&aacute;r de Noord-Oostelijke Nederlanden (het IJsselgebied).<br />
	Naast senior onderzoekers zijn verschillende promovendi en postdocs op medi&euml;vistisch terrein werkzaam. Enkele promotieprojecten worden gefinancierd uit universitaire gelden. De volgende projecten worden uit de tweede geldstroom gesubsidieerd: ERC Starting Grant &lsquo;Holy Writ and Lay Readers. A Social History of Vernacular Bible Translations in the Late Middle Ages&rsquo; (Sabrina Corbellini); NWO VICI-project &lsquo;Humanists as Philosophers: The Place of Renaissance Humanism in the History of Thought&rsquo; (Lodi Nauta); NWO Urbanisatie en Stadscultuur &lsquo;The town as a &lsquo;body social&rsquo;, 1300-1650&rsquo; (Dick de Boer en Bart Ramakers). Groningse collega&rsquo;s doen volop mee aan de internationalisering van de school, die eveneens mogelijk is door subsidies van NWO. Momenteel wordt &eacute;&eacute;n internationaliseringsproject vanuit Groningen geco&ouml;rdineerd. Het gaat om een samenwerkingsprogramma met de Ruhr Universit&auml;t Bochum met als titel &lsquo;The Modern Devotion as a vehicle of reflection and education and an instrument of social and cultural cohesion within a German-Dutch trans-regional context, ca. 1350-ca.1580&rsquo; (co&ouml;rdinatie Dick de Boer).<br />
	&nbsp;<br />
	Bart Ramakers<br />
	(mei 2010)<br />
	&nbsp;<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify">
	Universiteit Leiden</h4>
<div style="text-align: justify">
	Sinds september 2008 bestaat&nbsp; de Leidse Letterenfaculteit niet meer, maar is samen met de Faculteiten Wijsbegeerte, Godsdienstwetenschappen en Kunsten opgegaan in een nieuwe Faculteit der Geesteswetenschappen. Het Letteren-gedeelte van de nieuwe Faculteit heeft daardoor een aanzienlijke reorganisatie doorgemaakt, waarbij tientallen banen op de tocht staan. Het medi&euml;vistisch onderzoek is in de nieuwe situatie verdeeld over diverse instituten. Wat de onderzoeksorganisatie betreft, Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd zijn samengegaan, waarbij de focus ligt op de periode 1300&ndash;1700. Deze fusie wordt ook zichtbaar in het onderwijs, dat faculteitsbreed (van Bachelor tot Master) behoorlijk is herordend, waardoor trouwens de Medi&euml;vistiek veel zichtbaarder is geworden in de vorm van een minor. Met de komst van Erik Kwakkel (zie onder) heeft Leiden weer een codicoloog in haar midden met een vaste aanstelling. Daar zal niet alleen de Leidse medi&euml;vistiek van profiteren, maar, naar zich laat aanzien, ook de Onderzoekschool. Hieronder volgt een niet-uitputtende beschrijving van het Leidse medi&euml;vistische onderzoek.<br />
	De sectie Middeleeuwse Geschiedenis bij de Opleiding Geschiedenis telt op dit moment (oktober 2010) vier vaste medewerkers (3,4 fte), een bijzonder hoogleraar, drie aio&rsquo;s en twee postdocs. Het onderzoek van de hoogleraar (Peter Hoppenbrouwers) richt zich op ethniciteit en protonatievor-ming in de middeleeuwen, en daarnaast op de sociale en economische geschiedenis van de Noordelijke Nederlanden (met name het graafschap Holland en het hertogdom Brabant) in de 14de&ndash;16de eeuw. Sedert 2009 leidt hij, samen met bijzonder hoogleraar Hans Mol, het NWO Vrije Competitie-programma &lsquo;Twilight zone: party strife, factionalism and feuding in the Northern Low Countries in the late Middle Ages&rsquo;. Hieraan zijn twee aio&rsquo;s en een postdoc verbonden, die zich bezighouden met deelprojecten over respectievelijk de Friese vetemaatschappij (Matthijs Gerrits), factievorming en partijstrijd in Utrecht (Justine Smithuis) en adelspartijen en private oorlogvoering in Gelre (Aart Noordzij). Verder is Hans Mol als bijzonder hoogleraar werkzaam op het gebied van de Friese landen in de middeleeuwen. Zijn onderzoek richt zich op de Friese kloosters en op de religieuze ridderorden. Zijn aio Rombert Stapel werkt aan een studie over de zogeheten &lsquo;jonge hoogmeesterkroniek&rsquo; van de Duitse Orde. Van de vaste medewerkers houdt Antheun Janse zich vooral bezig met de Hollandse historiografie van de late middeleeuwen. De vorming van een bovengewestelijke eenheid in de Nederlanden tussen 1380 en 1480 staat centraal in het onderzoek van Robert Stein (0,9 fte), dat moet uitmonden in een nieuwe synthese over de Bourgondische eenwording. Het onderzoek van Louis Sicking (0,5 fte) heeft voornamelijk betrekking op de maritieme en expansiegeschiedenis van de late middeleeuwen, in het bijzonder van de kustgewesten van de Lage Landen. Deelthema&rsquo;s zijn de Nederlandse zeescheepvaart in de zestiende eeuw en de Noors-Nederlandse betrekkingen omstreeks 1500. Postdoc Justyna Wubs-Mrozewicz vat per 1 februari 2011 haar VENI-project &lsquo;Dealing with foreign traders, dealing with conflict. Strategies of conflict resolution and their role in trade relations in the Baltic, c. 1450&ndash;1580&rsquo; aan. Aio Annemieke Verboon promoveerde in 2010 op Lines of thought: Diagrammatic representation and the scientific texts of the Arts Faculty, 1200&ndash;1500.<br />
	&nbsp;<br />
	Na het vertrek van Reindert Falkenburg uit Leiden zijn bij de Opleiding Kunstgeschiedenis op het gebied van de medi&euml;vistiek werkzaam Elizabeth den Hartog, specialiste op het terrein van de middeleeuwse beeldhouwkunst en kastelenbouw, en Dirk de Vries, bijzonder hoogleraar op het terrein van de bouwhistorie.<br />
	&nbsp;<br />
	Bij de Opleiding Nederlandse Taal en Cultuur verrichten Wim van Anrooij, Geert Warnar en Ludo Jongen literatuur-historisch onderzoek op het gebied van de Middeleeuwen. Van Anrooij publiceert onder meer over verzamelhandschriften, literair-culturele relaties tussen Duitsland en de Nederlanden, historiografie en vakgeschiedenis. Thans werkt hij aan een monografie over Louis Couperus en de Middeleeuwen. Onder zijn leiding zijn vijftien promovendi actief. Daaronder bevinden zich een aantal externe promovendi die zich met de Middeleeuwen bezighouden: Eug&egrave;ne Lambert, Dat liden ende die passie ons heren Jhesu Christi; Marjolein Gommers, Studies naar leven en werk van Willem de Vreese; Yura Hollander, Middelnederlandse dialogen in versvom tot 1400. Inhoud, vorm en functie; Bart Lucassen, Eindtijdverwachtingen in de Middeleeuwen; Jan de Putter, Studies over de Reynaert-traditie; Bart Veldhoen, Middelengelse Romances (incl. 19e-eeuwse revival); Martijn Wijngaards, Middeleeuwse verhaalstof in historieliederen uit de 18e eeuw.<br />
	Warnar gaf van 2004-2009 leiding aan het VIDI-project &lsquo;Men of Letters, Medieval Dutch Literature and Learning&rsquo;. Wybren Scheepsma was als postdoc aan het project verbonden. Het onderzoek richtte zich op de opkomst van het Middelnederlands als taal voor een publiek debat over geloof, ethiek, kennis en literatuur door auteurs die de geleerdentraditie voortzetten buiten de wereld van de professionele wetenschap. Het promotieonderzoek van Lydeke van Beek naar de Collatieboeken van Dirk van Herxen (promotie in 2009) sloot inhoudelijk zeer sterk bij dit project aan. Dat geldt ook voor het promotieonderzoek van Esther Jonker (Het Amsterdams perikopenboek &ndash; promotie 1 december 2010), Sanne de Vries (Middelnederlandse gebeden bij de Gregoriusmis) en Anna Dlabacova naar de overlevering in handschrift en druk van de Spiegel der volcomenheit van Hendrik Herp.<br />
	Van 2009&ndash;2013 is Leiden partner in en co&ouml;rdinator van het project Mobility of Ideas and Transmission of Text. Vernacular Literature and Learning in the Rhineland and the Low Countries (ca. 1300&ndash;1550) (MITT), een door Warnar ge&iuml;nitieerd samenwerkingsverband met de universiteiten van Oxford, Antwerpen, Freiburg en Lecce. MITT is een Initial Training Network, onder auspici&euml;n van en gefinancierd door de EU in het zevende kaderprogramma. MITT stelt twaalf jonge onderzoekers in staat zich te specialiseren in medi&euml;vistisch onderzoek. In Leiden werken er drie: Joni de Mol (die onderzoek doet naar de invloed van de preken van Tauler in het werk van de Gentse priorin Alijt Bake), Helga Dierckx (onderzoek naar de grootste verzameling preken op naam van Johannes Tauler) en Yves van Damme (onderzoek naar de Dialoog van Eckhart en de leek).<br />
	Van Jongen verschijnen regelmatig edities van Middelnederlandse teksten en vertalingen daarvan in modern Nederlands, vooral heiligenlevens en geestelijke literatuur.<br />
	Joost van Driel werkt aan zijn VENI-project &lsquo;De oorsprong van het proza&rsquo;. Tegenwoordig is de prozavorm de standaard voor fictie en non-fictie literatuur. Onze oudste literatuur was echter berijmd. Pas langzaam is in de Middeleeuwen de prozavorm door Nederlandse auteurs ontdekt. Dit onderzoek gaat na, welke factoren daarvoor verantwoordelijk zijn geweest. Ook Olga van Marion (specialiste op het terrein van de Vroegmoderne Tijd) verricht onderzoek binnen een VENI-project: &lsquo;Ridders in de Renaissance&rsquo;. De tijdgenoten van Rembrandt lazen niet alleen&nbsp;&nbsp;&nbsp; renaissanceliteratuur. Van hoog tot laag genoot men evengoed van de oude ridderromans en van toneelstukken over de graven en gravinnen van weleer. Dit onderzoek gaat na welke idee&euml;n over de middeleeuwen er bestonden bij onze voorouders in de Gouden Eeuw.<br />
	&nbsp;<br />
	Bij de Opleiding Engelse Taal en Cultuur is Rolf Bremmer vooral actief op het gebied van de Oudengelse taal en cultuur, en participeert in het project &lsquo;Cambridge History of Early Medieval Literature&rsquo; dat zal uitmonden in een handboek. Ook is hij betrokken bij het project &lsquo;<a href="http://mendota.english.wisc.edu/%7EASMMF/index.htm">Anglo-Saxon Manuscripts in Microfiche Facsimile</a>&rsquo;, dat beoogt alle handschriften met Oudengels erin te beschrijven en op microfiche uit te brengen. Verder werkt hij, samen met Kees Dekker (RUG) aan een boekdeel in het project &lsquo;<a href="http://www.mipcatalog.com/Merchant2/merchant.mvc?Screen=PROD&amp;Store_Code=MIPCATALOG&amp;Product_Code=1-58044-073-8" target="_blank">Sources of Anglo-Saxon Literary Culture</a>&rsquo;. Eveneens samen met Kees Dekker (RUG) heeft hij leiding gegeven aan het NWO-Internationaliseringsproject &lsquo;<a href="http://www.storehousesoflearning.com/" target="_blank">Storehouses of Wholesome Learning</a>&rsquo; (2004&ndash;2008; in samenwerking met de Universiteit van Palermo). Het project beoogt functies en verspreiding van pre-encyclopedische literatuur in het Latijn en de volkstaal tussen 600 en 1200 te beschrijven en te verklaren. Momenteel zijn twee van de vier bundels die voortvloeien uit dit project verschenen. Daarnaast is hij als bijzonder hoogleraar Fries actief in de (inter-)nationale Friese medi&euml;vistiek. Hij begeleidt de volgende externe promovendi: Alan Griffiths, Rune-names and Ogam-names and Their Relation to Alphabet Letter-names; Domenica Carriero, Studies in the Old English &lsquo;The Phoenix&rsquo;; Filitsa Mullen, Symbolism in the &lsquo;Exeter Riddles&rsquo;. In februari 2011 begint Thijs Porck als docent-promovendus aan een proefschrift over Ouderdom in Angelsakisch en Normandisch Engeland. Bart Veldhoen houdt zich bezig met de Engelse Arturliteratuur en de receptie ervan in jongere tijd. Luisella Caon, die in 2008 promoveerde op de spelling van Chaucer, vervolgt haar onderzoek naar de taal van 15de-eeuwse handschriften van de Canterbury Tales. Zij is betrokken bij het internationale &lsquo;Canterbury Tales Project&rsquo;, onderdeel van de &lsquo;Virtual Manuscript Room&rsquo;&nbsp;(Birmingham). Sophie van Romburgh, tenslotte, verkeert in de afrondende fase van haar in 2003 begonnen Veni-project &lsquo;<a href="http://www.onderzoekinformatie.nl/en/oi/nod/onderzoek/OND1293221/" target="_blank">Renaissance Ideas and Early Germanic Literature</a>&rsquo;.<br />
	&nbsp;<br />
	Erik Kwakkel (Instituut voor Culturele Disciplines) is projectleider van het VIDI-project &lsquo;Turning over a New Leaf: Manuscript Innovation in the Twelfth-Century Renaissance&rsquo; dat de wisselwerking bestudeert tussen de twaalfde-eeuwse geleerde cultuur en het materi&euml;le boek, met name tussen 1075 en 1225. Kwakkel onderzoekt de eigenlijke materi&euml;le vernieuwingen, gebruikmakend van een corpus gedateerde, in autopsie te onderzoeken handschriften. Project-aio Jenny Weston richt zich op de relatie tussen de nieuwe boekvorm en haar gebruikers. Een nog aan te stellen postdoc zal zich bezighouden met de inhoud van de handschriften, gericht op de relatie tussen de nieuwe materi&euml;le kenmerken en de teksten en tekstgenres waarin ze (het eerst) voorkomen.<br />
	&nbsp;<br />
	De Germanistische medi&euml;vistiek (Oudhoogduits-Middelhoogduits) wordt behartigd door Jef Jacobs, die zich onder meer bezighoudt met religieuze literatuur van de Middeleeuwen, met name uit de periode 1050&ndash;1170 en met de Duitse mystieke literatuur van de late middeleeuwen. Marie-Jos&eacute; Otten-Heijkant (Opleiding Italiaanse Taal en Cultuur) doet onderzoek naar de Arturliteratuur, met name de Tristan-traditie, in Itali&euml;. Julia Szirmai (Opleiding Franse Taal en Cultuur) bestudeert Oudfranse bijbelteksten en werkt aan de editie van een dertiende-eeuwse integrale&nbsp; bijbel.<br />
	&nbsp;<br />
	Het onderzoek van Bert Bos (Opleiding Filosofie) richt zich voornamelijk op de wijsgerige logica en semantiek, waarbij de aandacht vooral is gericht op de wisselwerking tussen semantische en metafysische opstellingen. Hij houdt zich in zijn onderzoek voornamelijk bezig met de wijsbegeerte van de veertiende eeuw. In dat kader bereidt hij momenteel een editie voor van het commentaar van Hendrik van Coesfeld (ca. 1400) op het Speculum puerorum van Richard Billinghem, en een editie van een anoniem commentaar (ca. 1400) op het Doctrinale van Alexander de Villa Dei.<br />
	&nbsp;<br />
	Bij de Opleiding Midden Oosten Studies bestudeert Gabri&euml;lle van den Berg de Perzische epiek alsook Firdausi&rsquo;s Shahnama (Book of Kings). Zij is betrokken bij het in Cambridge gebasserde internationale &lsquo;Shahnama Project&rsquo;. Asghar Seyed Gohrab bestudeert in zijn VIDI-project &lsquo;Of Poetry and Politics: Classical Poetic Concepts in New Politics of Twentieth Century Iran&rsquo; de invloed van middeleeuwse po&euml;zie en mystiek op het huidige Iraanse politieke denken.<br />
	De Universiteitsbibliotheek herbergt naast een schat aan handschriften en vroege drukken de voor medioneerlandici en andere medi&euml;visten belangrijke Bibliotheca Neerlandica Manuscripta, een immens documentatieapparaat rond Middelnederlandse handschriften dat officieel erkenning verwierf als landelijk expertisecentrum. Conservator Andr&eacute; Bouwman richt zich in zijn onderzoek vooral op de Reynaert-literatuur.<br />
	In het bachelorprogramma wordt een minor Medi&euml;vistiek aangeboden (30 ECTS). Alle studenten volgen &lsquo;Panorama van de Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd&rsquo; (5 ECTS, niveau 200) en &lsquo;Transmissie en transformatie van cultuur in Europa, 1100&ndash;1700&rsquo; (10 ECTS, niveau 300). Deze hoorcollegereeksen zijn speciaal voor de minor ontwikkeld en worden door docenten van verschillende disciplines gegeven. De colleges zijn ook als afzonderlijke keuzeonderdelen te volgen.<br />
	&nbsp;<br />
	Namens de Leidse medi&euml;visten,<br />
	Rolf Bremmer<br />
	(november 2010)<br />
	&nbsp;<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify">
	Universiteit Utrecht</h4>
<div style="text-align: justify">
	Het volgende is bewust beknopt gehouden. Het bevat een zeer globale schets van de voornaamste elementen van de Utrechtse medi&euml;vistiek waarbij die elementen steeds voorzien worden van een link naar de pagina van de facultaire website waar de betreffende informatie up to date wordt gehouden. Mensen die meer willen weten wordt verzocht de betreffende link te volgen. Dat is iets meer werk, maar het resultaat is wel steeds betrouwbare informatie.&nbsp;<br />
	&nbsp;<br />
	Het medi&euml;vistische onderzoek in Utrecht is gebundeld in de onderzoeksgroep &lsquo;Middeleeuwse cultuur&rsquo; van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur. De medi&euml;visten in Utrecht kennen een lange traditie van interdisciplinaire samenwerking. Daarbij spelen geschiedenis en Middelnederlandse letterkunde een dominante rol, maar de andere talen doen ook mee, waarbij apart vermelding verdient dat Utrecht drie keltologen herbergt. Daarnaast dragen musicologen en kunsthistorici hun steentje bij. Van de andere kant spelen theologie en filosofie zo goed als geen rol in de Utrechtse medi&euml;vistiek.<br />
	In het onderwijs heeft dit er toe geleid, dat de Researchmaster Medieval studies naast de &lsquo;algemene&rsquo; track een specifieke track Keltisch kent en dat binnen de algemene track studenten geacht worden het accent te leggen op geschiedenis, literatuurgeschiedenis, kunstgeschiedenis of musicologie.<br />
	&nbsp;<br />
	Een overzicht van de medi&euml;visten, zowel onderzoekers als docent-ondezoekers is te vinden op: <a href="http://www.uu.nl/en/faculties/humanities/research/researchinstitutes/OGC/research/researchprogrammes/medievalculture/Pages/researchers.aspx" name="cke_range_marker" target="_blank">http://www.uu.nl/en/faculties/humanities/research/researchinstitutes/OGC/research/researchprogrammes/<br />
	medievalculture/Pages/researchers.aspx</a><br />
	Wie deze lijst bekijkt, dient wel te bedenken dat musicologen en kunsthistorici formeel en als groep in andere onderzoeksgroepen zijn ondergebracht en dat aan de betreffende lijst dus tenminste ook de namen van Karl K&uuml;gle (musicologie) en Victor Schmidt (kunstgeschiedenis) moeten worden toegevoegd.<br />
	&nbsp;<br />
	Formeel is het onderzoek van de medi&euml;visten onderdeel van twee universitaire focusgebieden. Dit zijn onderzoeksgebieden waar de universiteit Utrecht uitgesproken sterk in is en waaraan meerdere faculteiten deelnemen. De medi&euml;visten participeren in Culture and Identities<br />
	(zie <a href="http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/cultures/Pages/default.aspx" target="_blank">http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/cultures/Pages/default.aspx</a>) en in Origins and Impact of Institutions (zie <a href="http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/origins/Pages/default.aspx" target="_blank">http://www.uu.nl/EN/research/focusareas/origins/Pages/default.aspx</a>)&nbsp;&nbsp;<br />
	Meer inhoudelijk kenmerkt het onderzoek zich door een grote aandacht voor de culturele functie van allerlei soorten communicatie en door studie naar allerlei aspecten van de schriftcultuur. Dit onderzoek is versterkt door de benoeming van Marco Mostert tot hoogleraar Middeleeuwse schriftcultuur.<br />
	De afgelopen jaren zijn de medi&euml;visten nogal succesvol geweest in het verwerven van projecten. Daarbij verdienen de NWO-middelgroot projecten Memoria en Dutch Songs on line speciale vermelding. Het laatste project gaat over de Nederlandse liedcultuur vanaf het begin tot in de negentiende eeuw, dus het bereik is groter dan dat van de medi&euml;vistiek. Ook is opvallend dat de Utrechtse medi&euml;visten deelnemen aan twee net gestarte Europese HERA-projecten: Cultural Memory and the Resources of the Past, 400-1000 AD en The Dynamics of the Medieval Codex. Van het laatste project is Utrecht penvoerder.<br />
	Een overzicht van alle lopende projecten is te vinden op:<br />
	<a href="http://www.uu.nl/EN/faculties/Humanities/research/researchinstitutes/ogc/research/researchprogrammes/medievalculture/research/Pages/default.aspx" name="cke_range_marker" target="_blank">http://www.uu.nl/EN/faculties/Humanities/research/researchinstitutes/ogc/research/researchprogrammes/<br />
	medievalculture/research/Pages/default.aspx</a><br />
	&nbsp;<br />
	Paul Wackers<br />
	(augustus 2010)<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify">
	Universiteit van Amsterdam</h4>
<a href="http://www.hum.uva.nl/middeleeuwenstudies/home.cfm" target="_blank">Klik hier voor de website van het&nbsp;Center for Medieval Studies Amsterdam (CMSA).&nbsp; </a><br />
<br />
<h4 style="text-align: justify">
	Vrije Universiteit Amsterdam</h4>
<div style="text-align: justify">
	Aan de Vrije Universiteit wordt zowel binnen als buiten de Faculteit der Letteren medi&euml;vistiek bedreven. Binnen Letteren is er een leerstoel voor Geschiedenis van de Middeleeuwen; binnen de Faculteit Wijsbegeerte &eacute;&eacute;n voor middeleeuwse, antieke en patristische filosofie met momenteel een zwaartepunt in de Middeleeuwen. Onderzoek op de terreinen van de middeleeuwse waterstaatsgeschiedenis, architectuurgeschiedenis, de middeleeuwse Franse letterkunde en de middeleeuwse Nederlandse letter- en taalkunde wordt gedaan vanuit leerstoelgebieden binnen de literaire faculteit die hun zwaartepunt elders hebben. Een belangrijke bijdrage aan het middeleeuwenonderzoek wordt voorts geleverd vanuit de Faculteit der Godgeleerdheid.<br />
	De VU kent geen apart instituut voor Middeleeuwse Studies. Binnen de Faculteit der Godgeleerdheid functioneert een &lsquo;Instituut voor Kerkgeschiedenis van de Late Middeleeuwen en de Reformatie&rsquo;. Een deel van het medi&euml;vistische onderzoek is ondergebracht in het onlangs, op 1 december 2007, van start gegane interfacultaire onderzoeksinstituut VISOR (VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society). Een tweede interfacultair instituut, &lsquo;for the Study of Culture and Values&rsquo;, is in oprichting: ook hier zal medi&euml;vistisch onderzoek worden ingebracht.<br />
	Een bindmiddel tussen de VU-medi&euml;visten van verschillende disciplines is vanouds de Medi&euml;vistenkring. Tijdens de bijeenkomsten houden collega&rsquo;s presentaties van lopend of zojuist voltooid onderzoek en wordt nieuws met betrekking tot onderzoek en onderwijs in de Middeleeuwen uitgewisseld. Als gevolg van de ingrijpende reorganisaties en formatiereducties van de laatste jaren heeft de kring enige tijd een slapend bestaan geleid, maar zojuist is er een nieuwe start gemaakt.<br />
	Binnen het leerstoelgebied Geschiedenis der Middeleeuwen ligt de nadruk op de socio-religieuze en culturele geschiedenis van de late Middeleeuwen, in het bijzonder in stedelijke context. Het onderzoek van prof. dr. K. Goudriaan concentreert zich op de laatmiddeleeuwse vroom-heidsbeweging die als Moderne Devotie bekend staat. Artikelen over regionale recruteringspatronen, over vrouwenmacht in de vroege Moderne Devotie, over zusterhuizen uit de tijd v&oacute;&oacute;r het gemene leven en over kloosters met alleen vrouwelijke conversen zijn ter perse of staan op stapel. Een monografie over Wermboud van Boskoop, de stichter van het Kapittel van Utrecht (tertiarissen), en zijn tijd is nagenoeg voltooid. Op de middellange termijn staat een Engelstalige monografie over de eerste halve eeuw van de Moderne Devotie als urbane monastieke revolutie op het program. Een tweede veld van aandacht is de laatmiddeleeuwse <em>memoria</em>-cultuur.<br />
	&nbsp;<br />
	Het onderzoek van mw. dr. S. Corbellini concentreert zich op het centrale thema van de laatmiddeleeuwse cultuuroverdracht, in het bijzonder de opmerkelijke toename van vertalingen uit het Latijn naar de volkstaal van religieuze en liturgische teksten, met name van bijbelgedeelten (Nieuwe Testament en evangeli&euml;nharmonie&euml;n) en handboeken voor religieuze opvoeding. Belangrijk in het onderzoek is de reconstructie van de socio-culturele omstandigheden die het ontstaan en de verspreiding van de vertalingen mogelijk hebben bevorderd. Aandacht wordt geschonken aan de inventarisatie van teksten en tekstdragers (handschriften en vroege drukken), aan de bestudering van paratextuele elementen (die bijvoorbeeld informatie kunnen bieden over vertaalomstandigheden en over hoe de teksten werden gelezen), maar ook aan de reconstructie (aan de hand van o.a. bezittergegevens en boekenlijsten) van de milieus waarin de vertalingen circuleerden.<br />
	&nbsp;<br />
	Het onderzoek van dr. A.L. Tervoort spitst zich toe op de geschiedenis van het onderwijs. Nadat eerder in zijn dissertatie over de <em>peregrinatio academica </em>van Nederlanders in Itali&euml; het accent lag op het universitair onderwijs, verlegt hij zijn aandacht nu naar het secundaire onderwijs in de Lage Landen. Op korte termijn staat een publicatie over schoolbezoek en -gedrag in Gouda op het program, aan de hand van unieke schoolrekeningen die voor deze stad zijn bewaard. Het wijdere perspectief is een nieuwe synthese over het voortgezet onderwijs in ons land.<br />
	&nbsp;<br />
	Binnen het leerstoelgebied Economische en Sociale Geschiedenis werkt mw. dr. P.J.E.M. van Dam aan onderzoek op twee terreinen: de ecologische en sociaal-economische geschiedenis van het kustgebied, en de energiegeschiedenis toegespitst op de zout- en baksteenwinning aan de kusten van de Noordzee, beide voor de periode 1300-1700. Ook heeft zij het project &#39;Rijnland 750 jaar&#39; geleid en daarin de middeleeuwse waterstaatsgeschiedenis voor haar rekening genomen. Ter afsluiting hiervan is verschenen: <em>Waterstaat in stedenland. Het hoogheemraad-schap van Rijnland voor 1857 </em>(Utrecht 2006), co-auteur: M. van Tielhof. De bijdragen aan de afsluitende workshop met ruime aandacht voor de Nederlandse, Vlaamse en Engelse middeleeuwse waterstaats-geschiedenis, zijn verschenen in: <em>Water management, communities, and Environment. The Low Countries in Comparative Perspective, c. 1000- c. 1800, Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis &nbsp;2005/2006</em>, 10 (2006). In aansluiting bij dit project is ook een promotie begeleid als co-promotor: Charles Cornelisse &lsquo;Energiemarkten en energiehandel in Holland in de late middeleeuwen&rsquo; (promotores&nbsp; prof. dr. C.A. Davids en prof. dr. W.P. Blockmans), waarvan de handelseditie in de loop van dit jaar verschijnt.<br />
	&nbsp;<br />
	Mw. drs. I.B.S. van Koningsbruggen is actief op het terrein van de architectuurgeschiedenis. Haar belangstelling geldt de receptie van het gebouwde erfgoed, onder andere uit de Middeleeuwen.<br />
	&nbsp;<br />
	&nbsp;<br />
	Op het terrein van de Franse letterkunde is mw. drs. J.F. van der Meulen werkzaam. In aansluiting op haar promotieonderzoek (opgezet binnen het Leidse pionierproject NLCM) naar literaire cultuur rond het Hollands-Henegouwse hof in de periode 1260-1350, richt zij zich op de Oudfranse literatuur binnen de cultuurhistorische context van Lage Landen en&nbsp; de Reichsromania, met speciale aandacht voor de internationale dynamiek en de relatie tussen woord- en beeld-tradities.Veertiende-eeuwse Alexander-continuaties en de opmerkelijk vroege Dante-receptie in deze noordelijke gebieden hebben haar speciale aandacht.<br />
	<br />
	Het onderwerp van dr. R. M. Th. Zemel luidt: &lsquo;Auteur en publiek van verhalende literatuur uit de dertiende eeuw in het graafschap Vlaanderen. Onderzoek naar thematiek, po&euml;tica, intertekstualiteit, receptie.&rsquo; Enkele belangrijke literaire teksten die in de dertiende eeuw in Vlaanderen in het Diets geschreven werden, sluiten aan bij modellen van het genre in de Oudfranse literatuur. Tegelijk laten auteurs daarop literaire kritiek horen. Het onderzoek is gericht op de inhoud en de bedoeling van die kritiek.<br />
	&nbsp;<br />
	Meer in detail gaat zijn onderzoek over:<br />
	a. <em>Roman van Walewein</em>. Op welke wijze en met welke bedoeling heeft de dichter in een Arturroman een bewerking opgenomen van een beroemd <em>chanson de geste</em> over Guillaume d&rsquo;Orange (op termijn monografie gepland).<br />
	Vervolgens:<br />
	b. Artikel naar aanleiding van zijn&nbsp; boek over <em>Fergus</em> (<em>The Quest for Galiene. </em><em>A Study of Guillaume le Clerc&rsquo;s Arthurian Romance</em> <em>Fergus</em>. Amsterdam-M&uuml;nster 2006).<br />
	c.&nbsp; Een po&euml;ticale interpretatie van <em>Van den vos Reynaerde</em>. De Vlaamse auteur laat zijn hoofdpersoon voor de goede verstaander moderne opvattingen over literatuur ten beste geven. Zijn Franse bron, een verhaal over Renart, heeft hij daarmee uitgewerkt tot een roman met een geprononceerde literaire boodschap.<br />
	d. Het portret van Charlemagne in <em>Karel ende Elegast</em>. In deze novelle presenteert de dichter een &lsquo;fictionele&rsquo; rol van de keizer, die in strijd is met zijn optreden in het Franse <em>chanson de geste</em>.<br />
	&nbsp;<br />
	Prof. dr. W. Goris, verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte, richt zijn aandacht op het systematische begin van kennis, een thema dat middeleeuwse wijsbegeerte verbindt met haar tegenwoordige erfgenamen. De stelling is dat &eacute;&eacute;n van de veronderstellingen van moderniteit, de autonomie van de rede, haar oorsprong heeft in speculaties over het systematisch begin van kennis in de dertiende en veertiende eeuw. Vanaf de dertiende eeuw ontstaat een epistemologische constellatie waarin het vertrouwen van de rede in het Absolute wordt geconfronteerd met en gedwongen in een nieuw vocabulaire, waartoe de opkomst van het transcendentale behoort, evenals de ontdekking van het apriori van de menselijke rede en een gewijzigde houding tegenover menselijke ervaring. In 2007 resulteerde dit project in de publicatie van de monografie <em>&lsquo;Absolute Beginners&rsquo;. </em><em>Der mittelalterliche Beitrag zu einem Ausgang vom Unbedingten </em>(Brill: Leiden/ Boston).&nbsp; Een tweede traject rond Waarheidsspelen vraagt aandacht voor de manier waarop filosofische idee&euml;n vorm krijgen dankzij de speciale epistemologische constellaties waarin zij opgenomen zijn. Dit project dient methodologische doeleinden en concentreert zich op de productie van waar/vals-verschillen in een vari&euml;teit aan gereguleerde praktijken: natuurwetenschappelijk, juridisch, medisch, religieus enz.<br />
	&nbsp;<br />
	Prof. dr. A.A. den Hollander, verbonden aan de Faculteit der Godgeleerdheid en aan de Universiteitsbibliotheek van de VU, geeft leiding aan een project over de Bijbel in de late Middeleeuwen. Het gaat daarbij om &#39;bijbel&#39; in de brede zin van het woord, in haar vele verschijningsvormen, zowel inhoudelijk als ook met betrekking tot de vormgeving. Het onderzoek betreft handgeschreven en gedrukte boeken, gemaakt als studieboek of met een liturgisch of meditatief oogmerk. Binnen het themagebied is ook aandacht voor breder cultuurhistorisch onderzoek, zoals naar bijbel(se) illustraties, provenance-onderzoek, etc. Aan dit themagebied wordt behalve door Den Hollander en Corbellini (zie boven) ook bijgedragen door mw. drs. E. Meyer en mw. dr. P.H.J. de Hommel-Steenbakkers.<br />
	<br />
	Het &lsquo;Instituut voor Kerkgeschiedenis van de Late Middeleeuwen en de Reformatie&rsquo; (Faculteit Godgeleerdheid), dat onder leiding staat van prof. dr. C.P.M. Burger, stelt zich tot doel onderzoek te doen naar enkele aspecten van de kerk- en theologiegeschiedenis binnen de periode 1343 tot 1564. Het onderzoek naar de universitaire theologiebeoefening richt zich vooral op de receptie van de genadeleer van Augustinus. Daarnaast wordt de vertaalslag naar de leken onderzocht: Repertorium Middelnederlandse preken, &lsquo;Fr&ouml;mmigkeitstheologie&rsquo;, &lsquo;Luthers &Uuml;bersetzung und Auslegung des Magnificat&rsquo;. Een zwaartepunt vormt het werk aan de kritische uitgave van de brieven van en aan Johannes Calvijn.<br />
	&nbsp;<br />
	<em>Fr&ouml;mmigkeitstheologie</em>: Naarmate in de Late Middeleeuwen ook leken leren lezen en schrijven, vervaardigen theologisch geschoolde geestelijken teksten voor deze groep. Ze beperken zich niet tot eenvoudige catechese, maar kiezen uit de beschikbare academisch-theologische, monastiek-theologische en mystieke literatuur, wat naar hun opvatting vroomheid kan kweken en versterken en &lsquo;transformeren&rsquo; de inhoud ervan in het Latijn of in de volkstaal voor de leken zelf of voor hun geestelijke leiders. Deze invloedrijke geschriften kan men onder de noemer &lsquo;Fr&ouml;mmigkeitstheologie&rsquo; samenvatten. Onderzocht worden onder meer teksten van Jean Gerson (1363-1429), Johannes von Paltz OESA (ca. 1445-1511) en Martin Luther (1483-1546).<br />
	&nbsp;<br />
	<em>Laat-middeleeuwse genadeleer</em>: Onder de noemers &lsquo;Logik des Schreckens&rsquo; en &lsquo;Stein in den Nieren Alteuropas&rsquo; vat de wijsgeer Kurt Flasch de ontwikkelde genadeleer van Augustinus (354-430) samen. Augustinus beperkt immers de vrije wil van de mens tot het doen van het goede tot Adam voor de zondeval. Aan de Vrije Universiteit worden in het bijzonder de genadeleer van de laatmiddeleeuwse theologen Gregorius van Rimini OESA (ca. 1300-1358) en Hugolinus van Orvieto OESA (ca. 1300-1373) onderzocht.<br />
	&nbsp;<br />
	<em>Repertorium Middelnederlandse preken</em>: De preek is een van de belangrijkste genres van de Middelnederlandse geestelijke literatuur. Zij is daarnaast een prominente historische informatiebron, want zij verbreidde religieuze, morele en culturele normen, waarden en attitudes. De groep &lsquo;Sermo&rsquo; werkt samen bij het vervaardigen van dergelijke Repertoria voor heel Europa. In dit kader wordt er gewerkt aan het Repertorium van in handschriften bewaarde Middelnederlandse preken. Op 16 januari 2008 hopen mw. drs. T. W. F. van Dijk (Amsterdam) en dhr. lic. D. Ermens (Antwerpen) dit Repertorium te voltooien met het voorstellen van de volumes IV &ndash; VII met daarin de preken bewaard in de kleinere bibliotheken van Nederland en Belgi&euml;.<br />
	&nbsp;<br />
	<em>Luthers &Uuml;bersetzung und Auslegung des Magnificat</em>: Bijzonder bekende geschriften van Martin Luther die men onder de noemer &lsquo;Fr&ouml;mmigkeits-theologie&rsquo; kan vatten, zijn gebaseerd op zijn exegese van de psalmen voor zijn studenten (twee collegereeksen, te weten 1513-1515 en 1519-1521). Voor een breder publiek vertaalde Luther in de jaren 1520/1521 onder andere het loflied van Maria volgens het evangelie naar Lukas 1, 46b-55 en gaf een uitleg van deze tekst die sterk op een psalm lijkt. In 2007 verscheen er een monografie van de hand van Chr. Burger: <em>Marias Lied in Luthers Deutung. Der Kommentar zum Magnifikat (Lk 1, 46b-55) aus den Jahren 1520/21.</em><br />
	In het kader van de kritische uitgave van de werken van Johannes Calvijn verscheen in 2007 van de hand van mw. dr. M.G. K. van Veen de kritische editie: <em>Ioannis Calvini scripta didactica et polemica, vol.I I</em>, Brieve instruction pour armer tous bons fideles contre les erreurs de la secte commune des anabaptistes. Dr. F. P. van Stam werkt samen met dr. E. A. de Boer aan een kritische editie van de <em>Epistolae duae</em> van Johannes Calvijn.<br />
	Koen Goudriaan<br />
	(april 2008)<br />
	&nbsp;<br />
	&nbsp;</div>
<h4 style="text-align: justify">
	Radboud Universiteit Nijmegen</h4>
<div style="text-align: justify">
	Het Nijmeegse onderzoek op het gebied van de medi&euml;vistiek vindt plaats aan vijf faculteiten: de Faculteit der Letteren, de Faculteit der Filosofie, de Faculteit der Theologie, de Faculteit der Religiewetenschappen en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Het onderzoek is ondergebracht bij de verschillende facultaire onderzoeksprogramma&rsquo;s, maar er is ook interfacultaire samenwerking. Om de zichtbaarheid en de coherentie van het medi&euml;vistische onderzoek aan de Radboud Universiteit te bevorderen, zijn er vergevorderde plannen voor de oprichting van een <em>Centrum voor Middeleeuwse en Renaissance Studies</em> (de facto een voortzetting van het Nijmeegse <em>Centrum voor Middeleeuwse Studies</em>). Karakteristiek voor het Nijmeegse Middeleeuwen-onderzoek is het accent op de latere Middeleeuwen (13<sup>e</sup> eeuw en later), de aandacht voor de overgang van Middeleeuwen naar Renaissance, en de interesse voor onderwerpen die gerekend kunnen worden tot de &lsquo;intellectuele geschiedenis&rsquo; (in de brede zin van het woord).<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Faculteit der Letteren </strong><br />
	Het onderzoek op het gebied van de Middeleeuwen is voornamelijk geconcentreerd in het facultaire onderzoeksprogramma <em>Christelijk Cultureel Erfgoed (</em>CCE), onderdeel van het <em>Instituut voor Historische, Literaire en Culturele Studies</em> (HLCS). De persoonlijke en collectieve onderzoeksprojecten die hierin zijn ondergebracht vertonen een grote continu&iuml;teit van thematiek en expertise. Het eerste zwaartepunt ligt traditioneel bij de Nederlanden in de late Middeleeuwen en in de zestiende eeuw (schilderkunst en kunstnijverheid, materi&euml;le geloofsuitingen als pelgrimstekens, teksten over moraal en moraliteit, Erasmus). Vanuit de vaste staf zijn prof. Jos Koldeweij, prof. Johan Oosterman en dr. Petty Bange hierin actief. Op dit terrein is er vanouds een sterke samenhang met het onderzoek in het interfacultaire programma <em>Christelijk Cultureel Erfgoed</em> (zie onder). Het pionierproject over de <em>Genealogie van de Moraal</em> onder leiding van dr. Istv&aacute;n Bejczy is intussen afgesloten en heeft een omvangrijke serie publicaties en dissertaties opgeleverd (waaronder het proefschrift van Jasmijn Bovendeert, <em>Kardinale deugden gekerstend: de kardinale deugden vanaf Ambrosius tot het jaar 1000</em> [Nijmegen 2007]). Een andere focus ligt op de Angelsaksische en Keltische wereld in de vroege Middeleeuwen (semantiek, iconografie: dr. Sandor Chardonnens, dr. Cees Veelenturf). Het Nijmeegse zwaartepunt Christelijke Oudheid krijgt binnen CCE voornamelijk gestalte in de kunstgeschiedenis (prof. Sible de Blaauw), maar heeft een sterke filologische component in het programma <em>De Antieke Wereld </em>(prof. Arp&aacute;d Orb&aacute;n, dr. Vincent Hunink). Daarnaast heeft de receptiegeschiedenis van de Christelijke oudheid en van de Middeleeuwen zich tot een karakteristiek onderzoeksthema ontwikkeld (prof. Sible de Blaauw, prof. Peter Raedts, prof. Peter Rietbergen). Een ander project binnen CCE richt zich op het ontstaan en voortleven van klooster&shy;bibliotheken in het Maas-Rijngebied (dr. Hans Kienhorst). Veel aandacht gaat daarbij uit naar de bibliotheek van Soeterbeeck en haar gebruikers vanaf de late Middeleeuwen tot de late twintigste eeuw (prof. Johan Oosterman), waarbij in samenwerking met de Nijmeegse UB onderzocht wordt welke mogelijkheden digitalisering biedt voor onderzoek en onderwijs.<br />
	In de onderzoeksvisitatie van 2006 is de kwaliteit van het onderzoek zeer positief beoordeeld, maar werd ook gewezen op de noodzaak de inhoudelijke samenhang en de feitelijke samenwerking te versterken. De faculteit heeft daarom een aantal thematische zwaartepunten aangewezen waarvoor voldoende focus en massa aanwezig is om uit te groeien tot speerpunten van het toekomstige letteren-onderzoek. Een ervan is <em>Dealing with the Religious Past</em>, waarin het beste Nijmeegse onderzoek op het terrein van het christelijke erfgoed kan worden gebundeld en uitgebouwd. Dit programma richt zich op de constructie van Christelijk cultureel erfgoed (dat in de Middeleeuwen, maar uiteraard ook in de latere perioden kan liggen) als een continu proces van selectie en herinterpretatie van het verleden, met het oog op identiteitsvorming in het heden. Twee sporen tekenen zich af als hoofdthema&rsquo;s. Als eerste: de steeds terugkerende behoefte tot ijking aan de waarden en tradities van het Vroege Christendom, vooral in de overlevering van de kerkvaders. Als tweede: de stad Rome als drager van en instrument voor een doelgerichte omgang met het verleden. In november 2008 heeft het College van Bestuur besloten een bijzondere impuls aan deze plannen te geven door voor 2009 prof. Willem Frijhoff als gasthoogleraar te benoemen met als bijzondere taak de stimulering van de onderzoekslijn Cultuur en Religie, waarbij ook onderzoekers van andere faculteiten (Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen) zullen worden betrokken.<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Faculteit der Filosofie </strong><br />
	Het medi&euml;vistisch onderzoek binnen de Faculteit der Filosofie is ondergebracht in het onderzoeksprogramma <em>From Natural Philosophy to Science</em>, dat onder leiding staat van prof. Paul Bakker. Dit programma richt zich op de bestudering van de middeleeuwse (natuur)filosofie, de integratie van Antiek gedachtegoed en Christelijke intellectuele tradities daarin, en de raakvlakken en conflictpunten met de middeleeuwse theologie. Een voorbeeld van dit laatste is het promotieproject van drs. Femke Kok over de rol van de theologie in de metafysica van Johannes Buridanus (zie ook beneden onder <em>Christelijk Cultureel Erfgoed</em>). Meer concreet richt het programma zich op de Aristotelische traditie, zoals die onder meer gestalte krijgt in de commentaren op de werken van Aristoteles, en de dialoog (en soms het debat) met rivaliserende verklaringen van de natuur. In 2008 is in dit kader een promotie-project van start gegaan over de natuurfilosofie van Albertus de Grote (met bijzondere aandacht voor de relatie tussen kosmologie en psychologie). Het project wordt uitgevoerd door drs. Adam Takahashi. Het promotie-onderzoek van dr. Michiel Streijger is in 2008 succesvol afgerond met de dissertatie <em>Johannes Buridanus&rsquo; commentaar op </em>De generatione et corruptione. De editie van Buridanus&rsquo; commentaar zal in 2009 worden gepubliceerd door dr. Michiel Streijger, prof. Paul Bakker en prof. Hans Thijssen. In het kader van het Vidi-project van prof. Paul Bakker, <em>Form of the Body or Ghost in the Machine? The Study of Soul, Mind and Body (1250&ndash;1700)</em> wordt aandacht geschonken aan de &lsquo;wetenschap van de ziel&rsquo; (wijsgerige psychologie), die in de Middeleeuwen een onderdeel was van de natuurfilosofie. Binnen dit project bereidt drs. Sander de Boer een proefschrift voor over doctrinaire ontwikkelingen in een aantal commentaren op Aristoteles <em>De anima</em> uit het einde van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw. Eveneens in het kader van dit Vidi-project zal in 2009 een omvangrijk internationaal congres worden georganiseerd (in samenwerking met het De Wulf &ndash; Mansion Centrum van de K.U. Leuven en onder de aegis van de Soci&eacute;t&eacute; Internationale pour l&rsquo;Etude de la Philosophie M&eacute;di&eacute;vale [S.I.E.P.M.]) gewijd aan psychologische theorievorming in laatmiddeleeuwse Sententie&euml;n-commentaren (<em>Philosophical Psychology in Late-Medieval Commentaries on Peter Lombard&rsquo;s</em> Sentences).<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen</strong><br />
	Het onderzoek van de Faculteit der Theologie en de Faculteit der Religiewetenschappen is ondergebracht in het <em>Research Institute for Religious Studies and Theology </em>(RST). De aan dit onderzoeksinstituut verbonden historici die zich bezighouden met de Middeleeuwen nemen sinds 2006 deel aan het onderzoeksprogramma <em>Reframing Spirituality and Mysticism in Past and Present</em>. In dit verband kan melding gemaakt worden van de projecten van dr. Inigo Bocken over <em>Devotio Moderna as Theory en </em>van prof. Peter Nissen over <em>Continuity and Discontinuity in Late Medieval and Early Modern Christian Spirituality</em> (tot 2008).<br />
	Prof. Daniela M&uuml;ller, per 1 januari 2009 benoemd tot hoogleraar Kerkgeschiedenis en Geschiedenis van het Christendom (als opvolgster van prof. Peter Nissen), werkt voor de komende jaren aan twee onderzoeksprojecten. Het eerste heeft als titel <em>Identiteit en Inquisitie. Over de vorming van een confessionele identiteit met behulp van een kerkjuridische organisatie</em>. Dit project richt zich op de Inquisitie van de 16<sup>e</sup> eeuw, vooral op een tot dusver onderbelicht aspect ervan, namelijk de rol van de Inquisitie als instrument in de confessionele strijd in Frankrijk en Nederland. In het bijzonder staat de vraag centraal hoe een middeleeuwse organisatie zich transformeerde tot een vroegmodern instrument dat, onder de controle van voornamelijk wereldlijke heersers, kon dienen tot de vorming van een confessionele identiteit die in nauw verband staat met de opkomst van een nationale identiteit. Prof. M&uuml;llers tweede onderzoeksproject richt zich op <em>Kerstening en de religieuze discriminatie van de zigeuners in Westeuropa met name in de 15<sup>e</sup> en 16<sup>e</sup> eeuw</em>. De bronnen voor deze vroege periode van het optreden van de Roma en Sinti in Westeuropa zijn bijzonder schaars (in tegenstelling tot die voor de late 16<sup>e</sup> en 17<sup>e</sup> eeuw): het onderzoek is hoofdzakelijk aangewezen op een klein aantal kronieken. Aan de hand van deze bronnen wordt getracht inzicht te krijgen in de godsdienst van de zigeuners. Allereerst staat de vraag centraal waarom de zigeuners bereid waren zich te bekeren. Voorts wordt onderzocht hoe ze vervolgens een eigen vorm van christendom cre&euml;erden, waarmee ze altijd de verdenking van ketterij of van &lsquo;heidendom&rsquo; opriepen. In dit licht moet ook de vraag gesteld worden waarom &ndash; in tegenstellling tot de geschiedenis van de joden en de heksenvervolging &ndash; tot nu toe zo weinig aandacht aan de geschiedenis van deze minderheid geschonken werd.<br />
	Het onderzoek van dr. Elisabeth Hense was tot 2007 gericht op de Rijnlandse mystiek. Dit onderzoek resulteerde in een ingeleide en becommentarieerde editie van een laatmiddeleeuws mystiek traktaat (samen met Nel Kouwenhouven): <em>Waar de ziel haar naam verliest. Handschrift Brussel KB 3067-307 </em>(Leuven 2007). Haar huidige onderzoek richt zich op het begrip van de &lsquo;onderscheiding der geesten&rsquo; in de christelijke spirituele traditie. Dr. Hense is thans bezig met een omvattende vergelijkende studie van alle belangrijke teksten over de onderscheiding. Tot 2010 staan vooral teksten uit de eerste zes eeuwen van de geschiedenis van het christendom centraal. Na 2010 hoopt zij haar onderzoek te kunnen voortzetten in de richting van de latere Middeleeuwen.<br />
	De periode die wij plegen aan te duiden als de Middeleeuwen neemt eveneens een belangrijke plaats in binnen het onderzoek van de Nijmeegse Islamologen en specialisten van het Midden-Oosten. Prof. Harald Motzki doet onderzoek naar de vroege periode van de islamitische beschaving (7<sup>e</sup>&ndash;10<sup>e</sup> eeuw n. Chr.). Hij bestudeert de beeldvorming over deze periode in islamitische bronnen en onderzoekt de bruikbaarheid van deze bronnen voor een historische reconstructie van de vroege islam. De vanuit religieus perspectief belangrijke bronnen, de Koran en de overleveringen over de profeet Mohammed, de eerste moslimgeneraties en de opvattingen van de vroege islamitische geleerden, staan centraal in zijn onderzoek. Prof. Motzki&rsquo;s onderzoek is ingebed in twee verschillende onderzoeksinstituten, te weten HLCS (Faculteit der Letteren) en RST (Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen). Prof. Gerard Wiegers houdt zich bezig met een latere periode van de islamitische cultuur. Zijn onderzoek richt zich met name op Arabische bronnen voor de religieuze geschiedenis van de relaties tussen moslims, christenen en joden in middeleeuws en pre-modern Spanje en de Maghreb. De vorming van een religieuze identiteit van de verschillende groepen neemt een belangrijke plaats in binnen zijn onderzoek. Hij werkt aan een aantal kritische uitgaven met vertalingen evenals aan vergelijkende studies. Een van de teksten waarmee prof. Wiegers zich op dit moment bezig houdt is <em>Kit&acirc;b ta&rsquo;y&icirc;d al-milla</em>, een anoniem polemisch geschrift geschreven in Aragon in de vroege veertiende eeuw. Prof. Herman Teule, die tevens directeur is van het aan de Radboud Universiteit gelieerde Instituut voor Oosters Christendom (IVOC), doet onderzoek naar de christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten (vooral in Irak, Syri&euml;, Libanon en Turkije) onder de titel <em>The Syriac Renaissance (1050&ndash;1306)</em>. Focus van zijn onderzoek zijn de vroegchristelijke wortels van deze gemeenschappen alsmede hun positie binnen een dominante islamitische omgeving gedurende de Middeleeuwen. Hij houdt zich in het bijzonder bezig met auteurs uit de zgn. Syrische Renaissance, zoals bijvoobeeld Michael de Syri&euml;r, Bar&rsquo; Ebroyo en Abdi&scaron;ō b. Brikā. Tevens begeleidt hij aan het IVOC enkele promovendi, onder wie drs. Carmen Fotescu met een promotie-onderzoek over <em>The Ascetical Work of Athanasius Abu Ghalib</em>.<br />
	Ten slotte kan worden vermeld dat in de loop van 2006&ndash;2008 ook de aan het Titus Brandsma Instituut verbonden onderzoekers zijn ondergebracht bij het programma <em>Reframing Spirituality</em>. Relevant voor de medi&euml;vistiek zijn hier vooral de projecten van dr. Inigo Bocken, dr. Charles Caspers, dr. Rudolf van Dijk en dr. Rijcklof Hofman (zie ook hieronder bij Titus Brandsma Instituut).<br />
	&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;<br />
	<strong>Universitair onderzoeksprogramma &lsquo;Christelijk Cultureel Erfgoed&rsquo; (CCE)</strong><br />
	De Faculteiten Letteren, Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen vormen, tezamen met het Titus Brandsma Instituut (TBI), kern van het sinds 1998 bestaande universitaire onderzoeksprogramma <em>Christelijk Cultureel Erfgoed</em> (CCE). Dit programma houdt zich bezig met de geschiedenis van het Christendom en de christelijke cultuur alsmede met de studie van de christelijke overlevering vanuit het perspectief van de vorming tot christen. CCE is het enige onderzoeksprogramma binnen de geesteswetenschappen dat door het College van Bestuur van de Radboud Universiteit is aangewezen als zwaartepunt voor onderzoek. De betrokken onderzoekers beschouwen dit als een aanwijzing dat het College ook haar eigen erfgoed, namelijk een lange onderzoekstraditie van voortreffelijke medi&euml;visten aan de Radboud Universiteit, in ere houdt. In 2008 berust de leiding van het programma bij de &lsquo;stuurgroep CCE&rsquo; bestaande uit prof. Jos Koldeweij, prof. Marit Monteiro, prof. Peter Raedts (voorzitter), alle drie namens de Faculteit der Letteren, prof. Peter Nissen namens de Faculteit der Theologie, prof. Hans Thijssen namens de Faculteit der Filosofie en prof. Hein Blommestijn namens het TBI. Het onderzoeksprogramma CCE van de Faculteit der Letteren wordt op andere wijze gefinancierd, maar is inhoudelijk uiteraard nauw verbonden met het universitaire programma.<br />
	Het universitaire CCE is onderverdeeld in vier aandachtsgebieden: (1) de christelijke instellingen, (2) het christelijk denken, (3) de christelijke spiritualiteit, en (4) de christelijke verbeelding. Alle aan afzonderlijke onderzoekers toebedeelde projecten zijn ondergebracht in een van deze gebieden. Hieronder worden per aandachtsgebied kort de in uitvoering zijnde of recent afgeronde projecten genoemd, voor zover deze (mede) betrekking hebben op de periode van v&oacute;&oacute;r de komst van de Reformatie.<br />
	&nbsp;<br />
	<em>De christelijke instellingen</em><br />
	- Het project <em>De seculiere kapittels van het middeleeuwse bisdom Utrecht </em>wordt uitgevoerd door dr. Jan Kuijs. Dit project leidde tot enkele tussentijdse publicaties, onder meer (samen met Paul Trio en Marjan De Smet) <em>An Inquiry into Secular Influence on Ecclesiastical and Religious Matters on a Local Urban Level</em> (Kortrijk 2006).<br />
	- <em>De handschriften (en vroege drukken) uit vrouwenkloosters van de Moderne Devotie in het zuidoosten van Nederland en het aangrenzende Duitse gebied</em>. Dit project wordt uitgevoerd door dr. Hans Kienhorst. In het kader van dit project zijn enkele studies vervaardigd maar ook is editiewerk verricht. Daarnaast houdt Kienhorst zich bezig met de studie en beschrijving van de handschriften uit het klooster Soeterbeeck. Aan deze handschriften wordt in 2009&ndash;2010 een tentoonstelling gewijd.<br />
	- <em>Monasticon Carmelitanum Neerlandicum</em> is vanaf 2003 tot 2007 uitgevoerd door dr. Antoine Jacobs. Het betreft een repertorium van alle kloosters die vanaf 1249 tot heden in Nederland bestaan hebben van de Orde van Broeders en Zusters van O.L. Vrouw van de Berg Karmel (te verschijnen in 2009).<br />
	<em>Het christelijk denken</em><br />
	- Einde 2005 is het promotieproject van drs. Femke Kok gestart met de titel <em>De rol van de theologie in de metafysica van Johannes Buridanus</em>. Centraal in het onderzoek staan de wisselwerking tussen theologie en filosofie alsmede de vraag naar het bestaan van een autonome filosofie in het werk van een denker die zelf overigens nooit theoloog is geworden.<br />
	<em>De christelijke spiritualiteit</em><br />
	- Het project <em>De liturgische identiteit van de Moderne Devoten, met bijzondere aandacht voor de Congregatie van Windesheim en het werk van Thomas van Kempen (1380&ndash;1471</em>) wordt uitgevoerd door dr. Charles Caspers. Dit project heeft geleid tot publicatie van verschillende artikelen en twee boeken (beide samen met Peter Jan Margry): <em>Identiteit en spiritualiteit van de Amsterdamse Stille Omgang </em>(Hilversum 2006) en <em>101 bedevaartplaatsen in Nederland</em> (Amsterdam 2008).<br />
	- <em>De geestelijke brief in het Middelnederlands (13<sup>e</sup>&ndash;16<sup>e</sup> eeuw</em>) werd vanaf 2003 tot eind 2007 uitgevoerd door dr. Mikel Kors. Doel van dit project was het verkrijgen van inzicht in het functioneren van geestelijken en hun rol bij de inrichting van het geestelijk leven van leken en religieuzen. Uit eerder onderzoek verscheen van de hand van Kors <em>De bijbel voor leken. Studies over Petrus Naghel en de Historiebijbel van 1361</em> (Leuven en Turnhout 2007).<br />
	- <em>De deugden in de Lage Landen, 1200&ndash;1500</em> heette het promotie-onderzoek dat in de periode 2002&ndash;2006 werd verricht door dr. Krijn Pansters. Dit onderzoek resulteerde in november 2007 in een promotie op het proefschrift<em> De kardinale deugden in de Lage Landen, 1200&ndash;1500 </em>(Hilversum 2007).<br />
	&nbsp;<br />
	<em>De christelijke verbeelding</em>:<br />
	- <em>Pelgrimstekens in de marges van getijdenboeken</em> is de titel van het promotieonderzoek dat vanaf 2003 wordt verricht door drs. Hanneke van Asperen. Dit project beoogt inzicht te verkrijgen in (a) de rol die bedevaartsouvenirs speelden in de laatmiddeleeuwse devotie en (b) de aard van de relatie tussen de oorspronkelijke objecten en hun weergave in de manuscripten. Bij het onderzoek gaat ook aandacht uit naar de wisselwerking tussen wat de Moderne Devotie voorstond en de zogenoemde &lsquo;lekenvroomheid&rsquo;. Dit onderzoek staat in nauwe relatie met het grootschalig inventarisatieproject KUNERA, een internationale, geautomatiseerde registratie en documentatie van het middeleeuwse pelgrimsteken (URL: www.let.ru.nl/ckd/kunera).<br />
	- <em>Stalla. Medieval Choir Stalls</em> heet het gedigitaliseerde koorbanken databaseproject dat vanaf 2006 wordt uitgevoerd door drs. Christel Theunissen. Met dit project wordt beoogd om alle figuratieve onderdelen van de nog bestaande en de niet meer bestaande maar wel gedocumenteerde koorbanken in Nederland en Vlaanderen te inventariseren. Het betreft religieuze maar meer nog profane voorstellingen die een schat aan informatie bieden over onderdelen van de toenmalige volks- en elitecultuur, waarover de geschreven bronnen vaak zwijgen.<br />
	&nbsp;<br />
	Om de cohesie tussen de verschillende projecten van het universitaire CCE te bevorderen worden er halfjaarlijks gespecialiseerde bijeen-komsten gehouden, in de vorm van workshops, waar de onderzoekers ofwel hun probleemstelling ter discussie kunnen stellen, ofwel de resultaten van hun onderzoek kunnen confronteren met die van collegae in binnen- en buitenland. Daarnaast profileert CCE zich breder d.m.v. tweejaarlijkse publiekscongressen. Op 23 november 2007 had &nbsp;het congres als thema <em>Oost-West. Christelijk en Islamitisch cultureel erfgoed</em>. Bij die gelegenheid werd tevens de bundel gepresenteerd van het publiekscongres uit 2005: C. Caspers, P. Nissen en P. Raedts (red.), <em>Heiligen en hun wonderen. Uit de marge van ons erfgoed, van de late middeleeuwen tot heden</em> (Budel 2007).<br />
	In bovenstaand overzicht valt vooral de centrale plaats op van de Moderne Devotie, hetgeen geheel in lijn is met de onderzoekstraditie van de Nijmeegse universiteit. Deze bijzondere aandacht heeft een nieuwe impuls gekregen dankzij de zogenoemde Soeterbeeck-overeenkomst (april 1998) tussen de Priorij Soeterbeeck en de Radboud Universiteit, met als doel het Moderne Devotie onderzoek in Nijmegen duidelijker te profileren en daarbij tevens te streven naar samenwerking met onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland.<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Titus Brandsma Instituut (TBI) </strong><br />
	Het belang van het para-universitaire Titus Brandsma Instituut voor de medi&euml;vistiek is voornamelijk gelegen in het daar verrichte onderzoek naar de Moderne Devotie. In 1989 nam het TBI de taak op zich om de kritische editie te verzorgen van de geschriften van Geert Grote. Vanaf 1997 wordt het editiewerk verricht door dr. Rudolf van Dijk en dr. Rijcklof Hofman. De tekstedities verschijnen in de reeks <em>Corpus Christianorum &ndash; Continuatio Mediaeualis</em>. Het werk van Van Dijk resulteerde in de monumentale uitgave van de <em>Prolegomena ad Gerardi Magni Opera omnia = Die Forschungslage des gesamten Schrifttums (mit Ausnahme des Stundenbuches) </em>(2003). Door Hofman zijn reeds uitgegeven <em>Ioannis Rusbrochii Ornatus Spiritualis Desponsationis Gerardo Magno interprete</em> (2000) en <em>Gerardi Magni Contra Turrim Traiectensem </em>(2003). Thans werkt Hofman aan de editie van Grote&rsquo;s <em>Sermo ad clerum traiectensem de focaristis</em> (uitgave voorzien in 2009).<br />
	De reeds vermelde Soeterbeeck-overeenkomst betekende ook voor het TBI een impuls voor het onderzoek naar de Moderne Devotie. De co&ouml;rdinatie van het Moderne Devotie onderzoek binnen het TBI is in handen van dr. Charles Caspers. De werkzaamheden spitsen zich vanaf 2004 toe op twee hoofdthema&rsquo;s: de betekenis van &lsquo;innerlijkheid&rsquo; binnen de spiritualiteit van de Moderne Devotie en de <em>Navolging van Christus</em> van Thomas van Kempen. In 2006 resulteerde dit teamwerk in een gezamenlijke publicatie: <em>Nuchtere mystiek. Navolging van Christus</em> (Kampen). In 2006&ndash;2008 is het onderzoek van het TBI ondergebracht binnen het bovengenoemde programma <em>Reframing Spirituality</em>. Binnen dit programma zijn niet alle historische projecten strikt gerelateerd aan de Moderne Devotie. Zo neemt Caspers deel aan een project over middeleeuwse &lsquo;Sacramenten van Mirakel&rsquo; en een project over <em>libri ordinarii.</em><br />
	&nbsp;<br />
	<strong>Faculteit der Rechtsgeleerdheid</strong><br />
	Het medi&euml;vistisch onderzoek aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid wordt gedragen door prof. E.C. Coppens, tevens lid van de Advisory Board van het Stephan Kuttner Institute of Medieval Canon Law, en dr. Paul van Peteghem. Prof. Coppens bereid een editie voor van de anonieme dertiende-eeuwse summa op het Decreet van Gratianus met&nbsp; als incipit <em>Animal est substantia</em> (ook wel de <em>Summa Bambergensis</em> genoemd). Een gedeelte van de tekst is reeds online beschikbaar (URL: <a href="http://web.me.com/eccoppens/Animal_est_substantia/Introduction.html" target="_blank">http://web.me.com/eccoppens/Animal_est_substantia/Introduction.html</a>). Op dit adres is ook een toelichting op de tekst te vinden. Naast zijn werk aan de summa <em>Animal est substantia</em> heeft prof. Coppens ook de online publicatie van de ordo iudiciarius <em>&lsquo;Sapientiam&rsquo;</em> in voorbereiding en van de volgende apparaten (glosssen op het Decreet van Gratianus):&nbsp;<em>Omnis qui iuste iudicat</em>;<em> Sicut vetus testamentum</em>;<em> Quoniam omissis centum distinctionibus</em>;<em> Quoniam in omnibus rebus animaduertitur</em>;<em> Ius aliud divinum</em>. Dr. Paul Van Peteghem is betrokken bij het NWO programma <em>Ecclesiastical Law and &lsquo;Ecclesia Belgica&rsquo;. The Emperor Charles V&rsquo;s dream shattered? </em>Dit programma houdt zich bezig met het zogenaamde patronaatsrecht. In het bijzonder zal het traditionele beeld van het patronaatsrecht (als het recht &lsquo;om de pastoor van een in de heerlijkheid gelegen kerk aan te wijzen en voor benoeming voor te dragen aan de bisschop, die de aangewezene dan institutie verleende&rsquo;) worden genuanceerd. Gezien de verwarring over de relatie tussen collatierecht en patronaatsrecht, zal de vraag van de definitie een belangrijke component van het onderzoek vormen. Ofschoon binnen dit project het accent ligt op de 16<sup>e</sup> eeuw, wordt ook aandacht besteed aan de middeleeuwse wortels van dit juridische leerstuk. Tevens wordt in dit programma het canoniek recht gelieerd aan de kerkgeschiedenis en de algemene geschiedenis.<br />
	&nbsp;<br />
	Paul Bakker (met dank aan prof. Sible de Blaauw en dr. Charles Caspers)<br />
	(november 2008)</div>]]></description>
			<pubDate>Wed, 02 Nov 2011 19:03:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/research/lokaalonderzoek]]></link>
		</item><item>
			<title>Agenda</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
<p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr> </wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<div>
		8-2-2012</div>
	<div>
		De Middeleeuwse geschiedenis van Nederland</div>
	<div>
		Historisch Caf&eacute;: Gesprek met Jan Kuipers en Marco Mostert over presentatie van de Middeleeuwen voor een groot publiek.</div>
	<div>
		Caf&eacute; P&#39;96, Prinsengracht 96, Amsterdam. 21-22 uur.</div>
	<div>
		Toegang gratis en aanmelden niet nodig. Klik <a href="http://historischcafe.nl/wordpress/?page_id=549" target="_blank">hier </a>voor meer informatie.</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		<br />
		14-2-2012<br />
		Eschatology in the Medieval European vernaculars<br />
		International symposium on individual and universal eschatology in the European vernacular languages in the Middle Ages<br />
		Universiteit Gent, Het Pand, Onderbergen 1.<br />
		Aanmelden kan tot 1 februari 2012 bij ulrike.wuttke@ugent.be</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		17/18-2-2012</div>
	<div>
		VWM_Workshop Historische Databases door dr. Mark Merry</div>
	<div>
		Workshop voor Medi&euml;visten over historische databases, i.h.b. MS Acces 2010.</div>
	<div>
		Universiteit Gent, Sint Pietersnieuwstraat 35.</div>
	<div>
		Maximaal 25 deelnemers. Meer informatie en aanmelding (voor 19 december 2011):&nbsp; <a href="http://medievistiek.nl/mailto:Tjamke.Snijders@UGent.be">Tjamke.Snijders@UGent.be</a></div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		23/24-2-2012</div>
	<div>
		Koningschap en adel in Nederlotharingen (10e-12e eeuw)</div>
	<div>
		Duits-Nederlands congres</div>
	<div>
		Katholisches Bildungszentrum Wasserburg Rindern, Wasserburgallee 120, Kleef (D)</div>
	<div>
		Aanmelding voor 13 februari 2012: 0049&ndash;2821&ndash;73210</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		24-2-2012</div>
	<div>
		Marqueurs de l&rsquo;identit&eacute; et mobilit&eacute; sociale dans les villes de la fin du Moyen &Acirc;ge</div>
	<div>
		Tweede studiedag in een serie van drie. In het kader van het programma &#39;Cultures et id&eacute;ologies urbaines dans les anciens Pays-Bas bourguignons&#39;.</div>
	<div>
		MESHS, 2 rue des Canonniers (zaal 002), 59000, Lille.</div>
	<div>
		Stuur voor meer informatie en voor aanmeldingen een e-mail naar: elodie.lecuppre@univ-lille3.fr</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		27-2-2012</div>
	<div>
		&nbsp;&lsquo;Collection&rsquo; at the Crossroads of Book History and Textual Criticism</div>
	<div>
		Onderdeel&nbsp;van een serie LECTIO-Rondetafelgesprekken, georganiseerd door het Laboratory for Critical Text Editing</div>
	<div>
		Leuven, Erasmusplein 2, zaal MSI 02.08. 14-17 uur.</div>
	<div>
		Aanmelden kan tot 20 februari 2012 bij: <a href="http://medievistiek.nl/mailto:an.faems@arts.kuleuven.be">an.faems@arts.kuleuven.be</a>. Meer informatie is <a href="http://ghum.kuleuven.be/lectio/laboratory-for-critical-text-editing" target="_blank">hier</a> te vinden.</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		7-3-2012<br />
		Patronen ontrafeld. Studies over gregoriaanse gezangen en Middelnederlandse liederen.<br />
		Presentatie bundel bevattende een bloemlezing van het werk van Ike de Loos<br />
		Utrecht. Pieterskerkhof 5, Dekenkapel Pieterskerk. Ontvangst 19.30 uur.<br />
		Informatie en opgave bij Dieuwke van der Poel (d.e.vanderpoel@uu.nl).</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		7-3-2012<br />
		Communication between province and centre in the &lsquo;Abbāsid empire<br />
		CMSA Lecture by Maaike van Berkel (UvA)<br />
		Amsterdam, Doelenzaal (UB), Singel 425.</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		10-3-2012 &amp; 11-3-2012</div>
	<div>
		Jan van Eyck terug in Den Haag?</div>
	<div>
		Lezingenmiddagen in het kader van tentoonstelling in Meermanno Museum</div>
	<div>
		Den Haag. Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7.</div>
	<div>
		Opgeven bij aanmelden@meermanno.nl o.v.v. naam en datum lezingenmiddag. Afhalen en betalen kaarten bij Museum Meermanno.</div>
	<p>
		<br />
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>16/17-3-2012<br />
		Specular Reflections: The Mirror in Medieval and Early Modern Culture<br />
		Annual UBC Medieval Workshop<br />
		Vancouver<br />
		<a href="http://ubc2012medieval.blogspot.com">http://ubc2012medieval.blogspot.com</a><br />
		&nbsp;</wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		26-3-2012<br />
		Masterclass Eurocorecode<br />
		Masterclass over het onderzoeksprogramma EuroCORECODE met ori&euml;ntatie op toepasselijke Masterscriptie onderwerpen.<br />
		Kromme Nieuwegracht 80, Utrecht. Van Ravesteijnzaal. 10-16.30 uur.<br />
		Aanmelden tot en met 19 maart bij d.e.h.de.boer@rug.nl, o.v.v. &#39;masterclass&#39;. Klik hier voor meer informatie over EuroCORECODE.</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		27-3/1-7 2012<br />
		Vlaamse Miniaturen<br />
		Tentoonstelling van KoninklijkeBibliotheek Belgi&euml; en Biblioth&egrave;que Nationale de France<br />
		Brussel, 30-9/31-12-2011; Parijs 27-3/1-7-2012<br />
		<a href="http://www.kbr.be" target="_blank">www.kbr.be</a>,<a href="http:// www.bnf.fr" target="_blank"> www.bnf.fr</a></p>
	<p>
		<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr><wbr>
	<p>
		27/29-4-2012<br />
		Seals and their Context in the Middle Ages<br />
		Conferentie over zegels in de breedst mogelijke context in West-Europa en de Britse eilanden.<br />
		Aberystwyth University (UK)<br />
		Meer informatie en een boekingsformulier zijn op de <a href="http://www.aber.ac.uk/en/history/research-projects/seals/" target="_blank">website</a> te vinden.</p>
	<p>
		&nbsp;<br />
		2/4-5-2012<br />
		Archival Scribes in the Medieval West<br />
		Namur<br />
		morgane.belin@fundp.ac.be<br />
		&nbsp;<br />
		5-5-2012<br />
		Norbertijnen onderweg (13de-18de eeuw)<br />
		Norbertijnse Contactdag in de abdij van Postel<br />
		Nadere informatie volgt in februari 2012<br />
		h.janssens@abdijaverbode.be<br />
		<br />
		9/11-5-2012<br />
		IX. Carlsberg Academy Conference on Medieval Legal History<br />
		Kopenhagen<br />
		Deadline for proposals: 15th&nbsp;December 2011. <a href="http://jura.ku.dk/crs/english/calendar/bja_100632/">http://jura.ku.dk/crs/english/calendar/bja_100632/</a><a href="http://jura.ku.dk/crs/english/calendar/bja_100632/" target="_blank">&nbsp;</a><br />
		&nbsp;</p>
	<p>
		22/23-5-2012<br />
		75 jaar na Hoogewerff: een inventarisatie van onderzoek naar Noord-Nederlandse kunst<br />
		Congres<br />
		Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, Doelenzaal<br />
		<br />
		30-5/1-6-2012<br />
		Sixth International Conference of Iconographic Studies: Visions<br />
		Internationaal congres te Rijeka (Kroati&euml;)<br />
		<a href="http://www.ffri.uniri.hr/pu/ikon/" target="_blank">www.ffri.hr/pu/ikon</a><br />
		<br />
		5/8-6-2012<br />
		Carrara Marble and the Low Countries, Late Middle Ages-2012<br />
		International Conference in Rome and Carrara<br />
		Meer informatie: <a href="http://earlymodernarchitecture.com/cfp-carrara-marble-and-the-low-countries-late-middle-ages-to-2012/" target="_blank">http://earlymodernarchitecture.com/cfp-carrara-marble-and-the-low-countries-late-middle-ages-to-2012/</a><br />
		&nbsp;</p>
	<p>
		5/8-6-2012<br />
		&lsquo;Nuns&rsquo; Literacies in Medieval Europe<br />
		Conferentie, deel 2 in een serie van 3.<br />
		University of Missouri-Kansas City<br />
		U kunt zich aanmelden (uiterlijk 2 april 2012) bij Dr Virginia Blanton: blantonv@umkc.edu. Meer informatie is op de <a href="http://www.nuns-literacies.org/" target="_blank">website</a> te vinden.</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		8-6-2012<br />
		Waar zijn wij mee bezig?<br />
		Symposium over Middeleeuwse kunstgeschiedenis tot 1400 in Nederland.<br />
		Nijmegen<br />
		Voor meer informatie kunt u een e-mail sturen naar: <a href="http://medievistiek.nl/mailto:ca.veelenturf@planet.nl">ca.veelenturf@planet.nl</a><br />
		&nbsp;</p>
	<p>
		24/27-6-2012<br />
		The Latin collection of the Acts of apostles (Pseudo-Abdias)<br />
		Eerste summer school over christelijke apocriefe literatuur.<br />
		Straatsburg<br />
		Voor meer informatie: gabriella.aragione@unistra.fr of klik <a href="http://www.unistra.fr/inscription/apocrypha/" target="_blank">hier</a>.</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		26/29-6-2012<br />
		Second International Medieval Meeting<br />
		Zes congressen gericht op verschillende belangrijke aspecten van de middeleeuwse geschiedenis, kunstgeschiedenis, archeologie, literatuur en taal.<br />
		Universiteit Lleida (Spanje)<br />
		Aanmelding open tot 15 maart 2012 (Until 18th June for non-participating attendees). Klik hier voor meer informatie.</p>
	<p>
		<br />
		30-8/2-9-2012<br />
		Mortality and Imagination<br />
		The Life of the Dead in the Middle Ages and the Renaissance<br />
		Stellenbosch, South Africa<br />
		Deadline for abstracts: 31 January 2012. Meer informatie: <a href="http://sasmars2012.blogspot.com/">http://sasmars2012.blogspot.com/</a></p>
	<p>
		<br />
		22/24-11-2012<br />
		Les Cisterciens et la transmission des textes ( XIIe-XVIIIe s.)<br />
		Internationale conferentie over boekcollecties van Cisterci&euml;nzer abdijen en de bijdrage aan texttransmissie.<br />
		Troyes, M&eacute;diath&egrave;que du Grand Troyes.<br />
		Voor meer informatie of indienen bijdrage (deadline 15 april 2012): anne-marie.turcan@irht.cnrs.fr. Zie ook de <a href="http://calenda.revues.org/nouvelle22676.html" target="_blank">website</a>.</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	<p>
		&nbsp;</p>
	</wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></wbr></p>]]></description>
			<pubDate>Wed, 26 Oct 2011 14:02:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/agenda/lijst]]></link>
		</item><item>
			<title>Tentoonstelling Machtige &amp; Mooie Middeleeuwen</title>
			<description><![CDATA[<p style="padding-top: 0px; padding-right: 0px; padding-bottom: 0px; padding-left: 0px; margin-top: 0px; margin-right: 0px; margin-bottom: 1em; margin-left: 0px; text-align: justify; ">
	<img alt="" class="image" src="http://www.kb.nl/nieuws/2011/getijdenboek_philips_k.jpg" style="border-top-style: none; border-right-style: none; border-bottom-style: none; border-left-style: none; border-width: initial; border-color: initial; border-width: initial; border-color: initial; padding-top: 0px; padding-right: 0px; padding-bottom: 0px; padding-left: 0px; display: block; margin-left: 4px; margin-right: 4px; margin-top: 4px; margin-bottom: 4px; float: left; width: 300px; height: 201px; " /></p>
<div>
	Op zaterdag 3 september 2011 opende de tentoonstelling Machtige &amp; Mooie Middeleeuwen in De Verdieping van Nederland, de gezamenlijke expositieruimte van de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief in Den Haag. De rijkdom van beide instellingen biedt een grote diversiteit aan prachtige middeleeuwse archiefstukken en boeken: van oorkonde tot evangelieboek, van rekening tot kroniek, van aflaatbrief tot getijdenboek. Machtige &amp; Mooie Middeleeuwen is t/m 8 januari 2012 te zien.</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<strong>Pracht</strong></div>
<div>
	De middeleeuwen staan bekend om boeken en documenten met rijke versieringen en sierlijke letters. Handschriften zijn in deze periode een kostbaar bezit. Mooie voorbeelden zijn de ge&iuml;llustreerde handschriften van Jacob van Maerlant, de &lsquo;Beatrijs&rsquo; en de Lancelotcompilatie. Of de illustraties uit het Remissorium Philippi. Dit in leer gebonden register, geschreven in het Latijn, bevat prachtige ingekleurde illustraties op perkament, van tal van vorsten, hoge edelen en ambtenaren uit de omgeving van hertog Filips de Goede. De miniaturen in het kostbare 9de-eeuwse evangelieboek van Egmond en het getijdenboek van Filips van Bourgondi&euml; uit het midden van de 15de eeuw spannen de kroon.</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<strong>Macht</strong></div>
<div>
	Diverse middeleeuwse documenten geven ook een beeld van de machtsverhoudingen, zowel op kerkelijk als wereldlijk terrein. Bijzonder is een oorkonde uit 1179 van paus Alexander III, het oudste document uit de collectie van het Nationaal Archief. Beroemde invloedrijke figuren als Jacoba van Beieren en Filips de Goede passeren de revue. Dat de Middeleeuwen de tijd was van ridders en graven, is te zien op de kwetsbare zegels aan de documenten. Ook laat de tentoonstelling zien dat in de middeleeuwen al aan &lsquo;recycling&rsquo; werd gedaan: zo is bladmuziek op perkament als boekomslag gebruikt.</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<strong>Locatie</strong></div>
<div>
	De Verdieping van Nederland bevindt zich in het verbindingsgebied tussen de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief, Prins Willem-Alexanderhof 5, Den Haag. Direct naast Den Haag CS.</div>]]></description>
			<pubDate>Mon, 24 Oct 2011 09:50:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/25]]></link>
		</item><item>
			<title>KNHG-najaarscongres 2011</title>
			<description><![CDATA[<img src="http://www.knhg.nl/~knhgnl/wp-content/themes/knhg2010/images/Koninklijk_Nederlands_Historisch_Genootschap.gif" style="width: 300px; height: 129px; float: left;" />EMOTIEGESCHIEDENIS- Het Koninklijk Historisch Genootschap wijdt dit jaar haar Najaarscongres op 4 november aan emoties en de (veronderstelde) Nederlandse identiteit. De medi&euml;visten Mathilde van Dijk, Matthijs Gerrits en Catrien Santing leveren een bijdrage.<br />
<br />
Het congres zal plaatsvinden in Den Haag.<br />
<!--[endif]-->Bekijk voor meer informatie de <a href="http://www.knhg.nl/2011/knhg-najaarscongres-2011/" target="_blank">website.</a>]]></description>
			<pubDate>Mon, 17 Oct 2011 13:50:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/KNHG-najaarscongres+2011]]></link>
		</item><item>
			<title>De ontdekking van de Middeleeuwen</title>
			<description><![CDATA[<img alt="De ontdekking van de middeleeuwen" class="image" src="http://medievistiek.webhosting.rug.nl/datas/users/deontdekkingvandemiddeleeuwen_1.png" style="float: left; width: 123px; height: 200px; " />Waren de Middeleeuwen een tijd van hechte gemeenschap en ridderlijke trouw of een tijd van barbaars geweld en ruwe onderdrukking? Een tijd om te vergeten of een tijd om naar terug te verlangen?<br />
<br />
Tien jaar heeft Peter Raedts gewerkt aan zijn antwoorden op deze vragen. De ontdekking van de Middeleeuwen is een monumentaal boek van Europees niveau geworden over de manier waarop men in Duitsland, Engeland, Frankrijk en Itali&euml; een eigen verleden heeft geconstrueerd. En het laat zien waarom de Nederlandse blik op de eigen geschiedenis volkomen anders was dan die van de ons omringende landen.]]></description>
			<pubDate>Thu, 29 Sep 2011 13:00:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/De+ontdekking+van+de+Middeleeuwen]]></link>
		</item><item>
			<title>Kopstukken: Honderd jaar Mediëvistiek in de Nederlanden</title>
			<description><![CDATA[<div>
	<img alt="" class="image" src="http://medievistiek.webhosting.rug.nl/test/files/images/cloister-caen.jpg" style="float: left; width: 200px; height: 112px; " />In samenwerking met de Vlaamse Werkgroep Medi&euml;vistiek en het tijdschrift Millennium. Tijdschrift voor middeleeuwse studies organiseert de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek op vrijdag 21 oktober a.s. de jaarlijkse medi&euml;vistendag, dit jaar in Leiden. Ter gelegenheid van de 25e jaargang van Millennium is dit jaar gekozen voor een afwijkende formule. Negen &lsquo;kopstukken&rsquo; uit honderd jaar medi&euml;vistiek in de Nederlanden zullen worden geportretteerd.</div>
<div>
	<br />
	Het gaat om:<br />
	<ul>
		<li>
			Christine Mohrmann door MarcVan Uytfanghe</li>
		<li>
			Henri Pirenne door Walter Prevenier</li>
		<li>
			Johan Huizinga door Willem Otterspeer</li>
		<li>
			Willem Jozef Andries Jonckbloet door Johan Oosterman</li>
		<li>
			Jozef Van Mierlo door Frank Willaert</li>
		<li>
			Gerard Isaac Lieftinck door Peter Gumbert</li>
		<li>
			Frits van der Meer door Sible de Blaauw</li>
		<li>
			H&eacute;l&egrave;ne Nolthenius door Paul Wackers</li>
	</ul>
</div>
In de lezingen wordt aan de hand van een tekstfragment uiteengezet waarom het betreffende &lsquo;kopstuk&rsquo; die eretitel verdient. Afsluitend komen jonge onderzoekers uit diverse disciplines aan het woord in een forumdiscussie: &lsquo;Van kopstukken uit het verleden naar topstukken in de toekomst&rsquo;.<br />
<br />
<div>
	<strong>Plaats</strong></div>
<div>
	Lokhorstkerk, Pieterskerkstraat 1, 2311 SV, Leiden<br />
	<br />
	<div>
		<strong>Tijd</strong></div>
	<div>
		Ontvangst 10.00 uur, aanvang 10.30 uur. De dag wordt circa 17.00 uur afgesloten met een borrel.<br />
		<br />
		<div>
			<strong>Deelname</strong></div>
		<div>
			De Medi&euml;vistendag is toegankelijk voor eenieder die verbonden is aan de Onderzoekschool Medi&euml;vistiek of de Vlaamse Werkgroep Medi&euml;vistiek, of op andere wijze betrokken bij het medi&euml;vistisch onderzoek in de Nederlanden. De kosten van deelname (incl. koffie, thee en lunch) bedragen &euro; 15,-.<br />
			<br />
			<p>
				<strong>Inschrijving en informatie</strong><br />
				U kunt zich inschrijven door (met vermelding van uw adres) &euro; 15,- over te maken op bankrekening 48.87.11.827 t.n.v. A. Janse inz. Middeleeuwse Geschiedenis te Leiden.<br />
				<br />
				Informatie over de dag is te verkrijgen bij prof.dr. Rolf Bremmer, Engelse taal en letterkunde, tel. 071-527 2162 (<a href="http://medievistiek.nl/mailto:r.h.bremmer@hum.leidenuniv.nl?subject=Medi%C3%ABvistendag%202011">r.h.bremmer@hum.leidenuniv.nl</a>) en dr. Antheun Janse, Geschiedenis, tel. 071-527 2718&nbsp;(<a href="http://medievistiek.nl/mailto:a.janse@hum.leidenuniv.nl?subject=Medi%C3%ABvistendag%202011">a.janse@hum.leidenuniv.nl</a>).<br />
				<br />
				In verband met de catering dient uw inschrijving uiterlijk 17 oktober binnen te zijn.</p>
		</div>
	</div>
</div>
<br />]]></description>
			<pubDate>Wed, 28 Sep 2011 02:13:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/news/Kopstukken+-+Honderd+jaar+Medi%C3%ABvistiek+in+de+Nederlanden]]></link>
		</item><item>
			<title>Links</title>
			<description><![CDATA[<div>
	<img alt="Links" class="imageright" src="http://medievistiek.webhosting.rug.nl/test/files/images/links-contact.jpg" style="width: 133px; float: right; height: 200px" />Hieronder vindt u links naar de websites van de aan de onderzoekschool verbonden universiteiten in Nederland.</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<h4>
	<a href="http://www.rug.nl/corporate/index" target="_blank">Rijksuniversiteit Groningen</a></h4>
<p>
	Het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek bij de Rijksuniversiteit Groningen (1614) staan internationaal hoog aangeschreven. Op vrijwel ieder vakgebied zijn er opleidingen voor bachelor-, master- en PhD-studenten. De RUG biedt een stimulerende omgeving, waarin alle ruimte is voor individuele ontwikkeling. &lsquo;City of Talent&rsquo; Groningen is een internationale studiestad, met een florerend studentenleven.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h3 style="color: red">
	<a href="http://www.uva.nl" target="_blank">Universiteit van Amsterdam</a></h3>
<p>
	De UvA heeft&nbsp;zeven faculteiten waar onderwijs en onderzoek plaatsvindt op het gebied van de geesteswetenschappen, sociale wetenschappen, economie en bedrijfskunde, rechtsgeleerdheid, natuurwetenschappen, geneeskunde en tandheelkunde. De UvA heeft een breed academisch opleidingenaanbod. Jaarlijks verschijnen circa 7.500 wetenschappelijke publicaties van UvA-medewerkers. Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek behoort op veel gebieden tot de internationale top. De uiteenlopende toepassingsgerichte onderzoekprogramma&#39;s zijn deels multidisciplinair van aard en gericht op maatschappelijke vraagstukken.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h3 style="color: red">
	<a href="http://www.vu.nl" target="_blank">Vrije Universiteit</a></h3>
<p>
	Al sinds de oprichting in 1880 staat de VU voor een onderscheidende manier van wetenschap toepassen. De VU is een open organisatie, die sterk verbonden is met mens en maatschappij. Het gaat niet alleen om verdieping van kennis, maar ook om verbreding. We vragen van onze studenten, onderzoekers, promovendi en medewerkers dat ze verder kijken: verder dan het eigenbelang, het eigen vakgebied, verder dan het bekende, verder dan het hier en nu.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h3 style="color: red">
	<a href="http://www.ru.nl" target="_blank">Radboud Universiteit</a></h3>
<p>
	De Radboud Universiteit Nijmegen is een klassieke, brede universiteit waar kwaliteit volgens internationale standaarden voorop staat. Binnen deze universiteit zijn vier wetenschapsdomeinen vertegenwoordigd: alfa, b&egrave;ta, gamma en medisch. Alle vier&nbsp;zijn ze verankerd in en betrokken bij de samenleving. Medewerkers onderhouden banden met docenten, onderzoekers en studenten van andere universiteiten en met maatschappelijke organisaties in binnen- en buitenland. De Radboud Universiteit Nijmegen is een studentgerichte onderzoeksuniversiteit. De universiteit weet zich verantwoordelijk voor de persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing van haar studenten. Vanuit die visie beschouwt ze de student niet als een &lsquo;consument van onderwijs&rsquo;, maar als iemand die zelf de verplichting op zich neemt voor een actieve inbreng in de eigen vorming.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h3 style="color: red">
	<a href="http://www.uu.nl" target="_blank">Universiteit Utrecht</a></h3>
<p>
	De Universiteit Utrecht is een groot en veelzijdig kenniscentrum dat onderwijs en onderzoek van internationale kwaliteit biedt. Haar doelen:</p>
<ul>
	<li>
		jonge mensen academisch vormen</li>
	<li>
		nieuwe generaties onderzoekers opleiden</li>
	<li>
		academici opleiden die kennis&nbsp;en professionele vaardigheden combineren&nbsp;</li>
	<li>
		grensverleggend onderzoek doen</li>
	<li>
		bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken<br />
		&nbsp;</li>
</ul>
<h3 style="color: red">
	<a href="http://www.leidenuniv.nl" target="_blank">Universiteit Leiden</a></h3>
<p>
	De Universiteit Leiden kent 11 profileringsgebieden in het onderzoek. Deze doorkruisen de traditionele grenzen tussen vakgebieden en faculteiten. Ze bieden kansen voor fundamenteel toponderzoek maar sluiten ook aan bij kernvraagstukken in de maatschappij. Door een focus op deze gebieden wil de universiteit de zichtbaarheid van, en de samenhang tussen, cruciale onderzoeksgebieden vergroten. Hiermee versterkt ze de basis voor het verwerven van onderzoeksgelden.&nbsp;De 11&nbsp;profileringsgebieden zijn:</p>
<ol>
	<li>
		Asian modernities and traditions</li>
	<li>
		Bioscience: the science base of health</li>
	<li>
		Brain function and dysfunction</li>
	<li>
		Fundamentals of Science</li>
	<li>
		Global Interaction of people, culture and power through the ages</li>
	<li>
		Health, prevention and the human life cycle</li>
	<li>
		Interaction between legal systems</li>
	<li>
		Language diversity in the world</li>
	<li>
		Political Legitimacy: institutions and identities</li>
	<li>
		Translational drug discovery and development</li>
	<li>
		Vascular and regenerative medicine</li>
</ol>]]></description>
			<pubDate>Thu, 22 Sep 2011 00:20:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/partners/links]]></link>
		</item><item>
			<title>Leden</title>
			<description><![CDATA[<div>
	De reguliere leden zijn:</div>
<div>
	Medi&euml;visten verbonden aan een van de in de school deelnemende universiteiten,&nbsp;</div>
<ol>
	<li>
		gepromoveerde onderzoekers in vaste dienst, van wie (een deel van) de onderzoekstijd door hun faculteit is ondergebracht bij de school</li>
	<li>
		&nbsp;docenten en onderzoekmedewerkers in tijdelijke dienst&nbsp;</li>
	<li>
		postdocs (gepromoveerde medi&euml;visten met een tijdelijke aanstelling)&nbsp;</li>
	<li>
		interne promovendi, d.w.z. promotiestudenten, aio&rsquo;s, oio&rsquo;s bursalen etc., met een onderzoeksobject op het terrein van de medi&euml;vistiek verbonden aan een van de in de school deelnemende universitaire instellingen, die (elementen uit) het opleidingsprogramma van de school volgen.</li>
</ol>
<div>
	Daarnaast kent de school nog geassocieerde leden, aspirantleden en buitenleden. Zie onder <a href="http://medievistiek.nl/school/Lidmaatschap" target="_blank">Lidmaatschap</a>.<br />
	&nbsp;</div>
<table align="left" border="0" cellpadding="1" cellspacing="1" class="members">
	<thead>
		<tr class="coltop">
			<th scope="col" style="text-align: center; padding-bottom: 2px; padding-top: 2px">
				<strong>onderzoekers in vaste dienst</strong></th>
			<th scope="col" style="text-align: center">
				<strong>discipline</strong></th>
		</tr>
	</thead>
	<tbody>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. W. van Anrooij/UL</td>
			<td>
				Nederlands</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. P.J.J.M. Bakker/RU</td>
			<td>
				Wijsbegeerte</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. P. Bange/RU</td>
			<td>
				Geschiedenis</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. W.J. van Bekkum/RUG</td>
			<td>
				Semitistiek</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. M.L.M van Berkel/UVA</td>
			<td>
				Geschiedenis</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. A.A.M. Besamusca/UU</td>
			<td>
				Nederlands</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. Ch. Bezemer/UL</td>
			<td>
				Rechtsgeleerdheid</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. S. de Blaauw/RU</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. H.H. Blommestijn/TBI</td>
			<td>
				Godgeleerdheid</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. D.E.H. de Boer/RUG</td>
			<td>
				Geschiedenis</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. A.M. Bollmann/RUG</td>
			<td>
				Duits</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. J.A.E. Bons/UU</td>
			<td>
				Klassieke Talen</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. E.P. Bos/UL</td>
			<td>
				Wijsbegeerte</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. A.F.W. Bosman/UvA</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. P.G. Bossier/RUG</td>
			<td>
				Romaanse Talen</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. F.P.C. Brandsma/UU</td>
			<td>
				Literatuurwetenschap<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. R.H. Bremmer/UL</td>
			<td>
				Engels</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. K.H. Broekhuijsen-Kruijer/UvA</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. G. van Bueren/UU</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. J.W.J. Burgers/UvA</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. C. Caspers/TBI</td>
			<td>
				Godgeleerdheid<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. L.S. Chardonnens/RU<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
			<td>
				Engels<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr.C.A.Chavannes-Mazel/UvA</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. S. Corbellini/RUG</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. P.J.E.M. van Dam/VUA<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				<div>
					dr. C.M.M.H. Dauven-van Knippenberg/UvA<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></div>
			</td>
			<td>
				Duits<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. C. Dekker/RUG</td>
			<td>
				Engels</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. M. van Dijk/RUG</td>
			<td>
				Theologie<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R.D. Eaton/UvA</td>
			<td>
				Engels</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. G. Geltner/UvA&nbsp;</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. W. Goris/VUA<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
			<td>
				Wijsbegeerte<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. K. Goudriaan/VUA</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. E. den Hartog/UL</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. K.J. Heidecker/RUG</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. B.S. Hellemans/RUG</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. M. Heijkant/UL</td>
			<td>
				Italiaans<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R.H.F. Hofman/TBI</td>
			<td>
				Godgeleerdheid<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. A.A. den Hollander/VUA</td>
			<td>
				Godgeleerdheid<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. P.C.M. Hoppenbrouwers/UL</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr.A.J. van den Hoven van Genderen/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. J.G.A.M. Jacobs/UL</td>
			<td>
				Duits</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. A. Janse/UL</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. M.B. de Jong/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. L.E.I.M. Jongen/UL</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. A.M. Koldeweij/RU</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. J. Koopmans/UvA</td>
			<td>
				Frans<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr J.A.E. Kroesen/RUG</td>
			<td>
				Theologie<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. K. K&uuml;gle/UU</td>
			<td>
				Musicologie<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. W.Th.J.M. Kuiper/UvA</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. F. Kwakkel/UL</td>
			<td>
				Codicologie<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. O.S.H. Lie/UU</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. A.A. MacDonald/RUG</td>
			<td>
				Engels<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. Z.R.W.M. von Martels/RUG</td>
			<td>
				Latijn<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R.M.J. Meens/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. J.F. van der Meulen/VUA</td>
			<td>
				Frans<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. J.A. Mol/UL</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. M. Mostert/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. K.E. Olsen/RUG</td>
			<td>
				Engels</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. J. Oosterman/RU</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. F.P. van Oostrom/UU<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. C.P.J. van der Ploeg/RUG</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. D.E. van der Poel/UU</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. A. Quak/UL</td>
			<td>
				Oudgermaans<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. J.E. Raaijmakers/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. P.G.J.M. Raedts/RU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. B.A.M. Ramakers/RUG</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. A.C. van Rhijn/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. H.N.B. Ridderbos/RUG</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. B. Roest/RU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. S.G. van Romburgh/UL</td>
			<td>
				Engels<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. H.G.E. Rose/UU</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. C.G. Santing/RUG</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R.W.M. van Scha&iuml;k/RUG</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. A. Schippers/UvA</td>
			<td>
				Arabisch<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. V.M. Schmidt/UU</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. P.C.H. Schrijver/UU</td>
			<td>
				Keltisch<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. L.H.J. Sicking/UL</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				<div>
					dr. T.A.M. Smidt van Gelder&nbsp;Fontaine/UvA</div>
			</td>
			<td>
				Hebreeuws, Aramees en joodse studies</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof. dr. S.I. Sobecki/RUG</td>
			<td>
				Engels<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R. Stein/UL</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. B.H. Stolte/RUG</td>
			<td>
				Rechtsgeleerdheid<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. J.C. Szirmai/UL</td>
			<td>
				Frans</td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. A.L. Tervoort/VUA</td>
			<td>
				Geschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. J.M.M.H. Thijssen/RU</td>
			<td>
				Wijsbegeerte<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. C.A. Veelenturf/RU<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. O. Vries/RUG</td>
			<td>
				Fries<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. D.J. de Vries/UL</td>
			<td>
				Kunstgeschiedenis<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R. de Vries/UU</td>
			<td>
				Keltisch<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				prof.dr. P.W.M. Wackers/UU</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. G. Warnar/UL</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				dr. R.M.Th. Zemel/VUA</td>
			<td>
				Nederlands<span class="Apple-tab-span" style="white-space: pre"> </span></td>
		</tr>
		<tr>
			<td>
				&nbsp;</td>
			<td>
				&nbsp;</td>
		</tr>
	</tbody>
</table>
<br />
<div>
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	&nbsp;</div>
<br />
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<br />
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<div>
	<h4>
		<br />
		<br />
		Overige docenten en onderzoeksmedewerkers (2011)</h4>
	<h4>
		postdocs (2011)</h4>
</div>
<div>
	<br />
	<table align="left" border="0" cellpadding="1" cellspacing="1" class="members" style="width: 679px; height: 766px">
		<tbody>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. J. Borsje, UvA</td>
				<td>
					<p>
						<em>The Power of Words in Medieval Ireland/ De macht van woorden in middeleeuws Ierland</em></p>
					(NWO-Vidi, 2007-2011)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. M. Bouha&iuml;k-Giron&eacute;s UvA</td>
				<td>
					Deelproject in J. Koopmans: <em>Law and Drama: How Theatrical Practices are defined by, with, and against the Law in France &amp; French-speaking regions (13th-16th centuries)</em></td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. dr. M. Campopiano, UU</td>
				<td>
					<em>Economic Growth and Stagnation in the Pre-Industrial Era: Iraq, Italy and the Low Countries, 600-1700, especially Land Tax and Water Management in Italy and Iraq</em>.</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dr. L.S. Chardonnens</td>
				<td>
					<em>From Science to Popular Culture: Artes magicae in England between the Scriptorium and the Printing Press, 1200-1500</em><br />
					(NWO-Veni, toegekend op: 28 oktober 2009)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. S. Corbellini</td>
				<td>
					<em>Sociaal-culturele geschiedenis van de bijbel in de handen van leken in de late middeleeuwen in de Nederlanden en Itali&euml;</em><br />
					(ERC Starting Investigator Grant, 2008)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. dr. J. van Driel, UL</td>
				<td>
					<em>De oorsprong van het proza</em><br />
					(NWO-Veni, 1-2-2009/1-2-2012)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. S.A. Folkerts, RUG&nbsp;</td>
				<td>
					<em>Holy Writ and Lay Readers: A Social History of Vernacular Bible Translations in the Late Middle Ages </em>(ERC Starting Ivestigator Grant Corbellini), deelproject The Low Countries</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. M. Hoogvliet, RUG&nbsp;</td>
				<td>
					<em>Holy Writ and Lay Readers: A Social History of Vernacular Bible Translations in the Late Middle Ages</em> (ERC Starting Investigator Grant Corbellini), deelproject&nbsp; The social history of French Bible Translations</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dr. J. Koopmans</td>
				<td>
					<em>Law and Drama: How Theatrical Practices are defined by, with, and against the Law in France &amp; French-speaking regions (13th-16th centuries)</em><br />
					(NWO Klein Programma) 1-6-2008/31-5-2013</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dr. E. Kwakkel</td>
				<td>
					<a href="http://www.nwo.nl/projecten.nsf/pages/2300156678" target="_blank">Turning over a New Leaf: Manuscript Innovation in the Twelfth-Century Renaissance</a><br />
					(NWO-Vidi mei 2010-mei 2014, project toegekend op: 18 november 2009)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. K.V.M.P. Lav&eacute;ant UvA</td>
				<td>
					<em>Les pratiques dramatiques face au droit dans les villes du Nord (XIIIe-XVIe si&egrave;cles)</em>, in het project van <em>J. Koopmans: Law and Drama: How Theatrical Practices are defined by, with, and against the Law in France &amp; French-speaking regions (13th-16th centuries)</em></td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. O van Marion, UL</td>
				<td>
					<em>Ridders in de Renaissance</em><br />
					(NWO-Veni, 1-1-2009/1-1-2012)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. dr. A. More, RU</td>
				<td>
					<em>Religious orders and religious identity formation in Late Medieval and Early Modern Europe, ca. 1420-1620</em> (RU/NWO, 1-7-2010/1-4-2013; Raedts/Roest)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dr. B. Roest, RU</td>
				<td>
					<em>Religious orders and religious identity formation in Late Medieval and Early Modern Europe, ca. 1420-1620</em><br />
					(RU/NWO, toegekend december 2009)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. Dr. H.G.E. Rose</td>
				<td>
					<em>The dynamics of apocryphal traditions in medieval religious culture</em><br />
					(NWO-Vidi, toekenning juli 2007)</td>
			</tr>
		</tbody>
	</table>
</div>
<div>
	&nbsp;</div>
<div>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	&nbsp;</div>
<h4>
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	<br />
	promovendi (2011)</h4>
<div>
	<br />
	Hieronder volgt een overzicht van de in (een gedeelte van) het kalenderjaar 2012 formeel bij de school betrokken promovendi, onder vermelding van promotie-onderwerp, universiteit, promotor/begeleiders en&nbsp; aanstellings-/subsidieperiode. Natuurlijk is de school in de dagelijkse praktijk dienstverlenend voor veel meer promovendi, nl. ook voor al diegenen die hun medi&euml;vistische promotieonderzoek verrichten als &lsquo;externe promovendus&rsquo; zonder aanstelling of beurs, en voor degenen die na afloop van hun aanstelling of subsidieperiode nog werken aan de voltooiing van hun proefschrift. Geef evt. aanvullingen en verbeteringen a.u.b. door aan het secretariaat van de school.<br />
	<br />
	<br />
	<table border="0" cellpadding="1" cellspacing="1" class="members">
		<tbody>
			<tr>
				<td>
					Mw. L. Beek, RUG</td>
				<td>
					<em>Worshipping Miraculous Marys. A socio-historical analysis of the cults of populist Marys in the late medieval Netherlands </em>(aio RUG 1-9-2011/1-9-2015, Santing)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. drs. M. Bloem, UvA</td>
				<td>
					<em>De Meesters van Zweder van Culemborg. Stijl versus techniek in Utrechtse verluchting tussen 1415-1440</em> (aio UvA, 1-1-2010/1-1-2014; Chavannes-Mazel)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. V. Bonenkampova, VUA</td>
				<td>
					<em>Late medieval remembrance of the dead as a tool in the mental construction of the family</em> (prom. VUA 1-10-2008/1-10-2012; Goudriaan)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. R.A.A. Bosch MA, RUG</td>
				<td>
					<em>Staatsvorming, economische transformaties en de stedelijke samenleving. </em><em>De invloed van politieke en econom</em><em>ische transformaties op de sociaal-economische ontwikkeling van steden in de Oostelijke Nederlanden. Zutphen, Arnhem en Doesburg 1350-1581</em> (aio RUG 1-9-2008/1-9-2012, De Boer/Van Scha&iuml;k)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. G. Bouwmeester MA, UU</td>
				<td>
					<p>
						<em>Dynamics of the medieval manuscript </em>(promov. UU 01-09-2010/1-9-2014, Wackers/Besamusca)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. F.W.G.W. Camphuijsen MA, UvA</td>
				<td>
					<p>
						<em>Boundaries of disorder: the social narratives of late-medieval law courts </em>(doc.-prom. UvA , 1-9-2011/&hellip;)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. A.A. van Damme MA, UL&nbsp;</td>
				<td>
					<p>
						<em>Dialogue of Eckhart and the Lay man (</em>UL, esr, 1-9-1010/1-9-2013, Van Anrooij/Warnar)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. P. Delcorno, RU</td>
				<td>
					<p>
						<em>Religious Orders and religious identity formation in late Medieval and Early Modern Europe, ca. 1420-1620</em>&nbsp; (aio RU, 1-10-2010/1-4-2014, Raedts/Roest)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					<div>
						Mw. H. Dierckx MA, UL</div>
				</td>
				<td>
					<p>
						<em>Middelnederlandse overlevering van de sermoenen van Johannes Tauler op basis van het handschrift Hildesheim, Dombibliothek 724b: (gedeeltelijke) editie en analyse</em>.(deelproject van het Mobility of Ideas and Transmission of Texts) (UL 1-6-2010/1-6-2013, Van Anrooij/Warnar)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. A. Dlabacova M.Phil., UL</td>
				<td>
					<p>
						Mw. A. (Anna), <em>Mystiek voor een nieuwe eeuw: Hendrik Herps &#39;Spieghel der volcomenheit&#39; in handschrift en druk (c. 1455/60 - 1552) en de franciscaanse observantie in de Lage Landen</em>. (aio UL, 1-9-2009/1-9-2013; Van Anrooij/Warnar)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. J.M. van Duijn MA, RUG&nbsp;</td>
				<td>
					<em>De Delftse Bijbel (1477): Als product van de ontwikkeling van de boekdrukkunst en de verspreiding van de Bijbel in de volkstaal.</em><em> </em>(prom.stud. RUG 2009-2013, Ramakers/Corbellini)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. A.M. Egmond</td>
				<td>
					<em>Het artistieke klimaat van Holland, Zeeland, Henegouwen en Beieren vastgelegd in de tresoriersrekeningen van Albrecht van Beieren </em>(1358-1404) (prom. UvA, Chavannes/De Boer, 1-9-2011/&hellip;)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. drs. D. Ermens, UU</td>
				<td>
					<p>
						<em>Dynamics of the medieval manuscript: the codices</em> (aio UU 01-09-2010/1-9-2014, Wackers/Besamusca)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. R. Flierman MPhil</td>
				<td>
					<p>
						<em>The people (populus). Discourses of inclusion and exclusion in the Carolingian Empire</em> (aio UU, 1-9-2010/1-92013, De Jong)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. W.A. FLinterman</td>
				<td>
					<em>Eurasian Empires </em>(prom. UvA, 1-9-2011/&hellip;)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. S. Fr&eacute;quin</td>
				<td>
					<p>
						<em>Stemmen uit het graf. Een onderzoek naar de functie van het middeleeuwse grafmonument.</em>(prom. UvA, Chavannes)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. R. Gabri&euml;l MA, RU</td>
				<td>
					<p>
						<em>De dynamiek tussen tekst en cultuur: betekenisverandering in de Dietsche Doctrinale in handschrift en druk </em>(prom. RU 01-02-2009/01-10-2013, Brinkman/ Oosterman)</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. A. Huijbers MA, RU</td>
				<td>
					<em>Religious Orders and religious identity formation in late Medieval and Early Modern Europe, ca. 1420-1620</em>&nbsp; (aio RU, 1-10-2010/1-4-2014, Raedts/Roest)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. N.L. IJssenagger, RUG</td>
				<td>
					<em>Breaking up the Mirror. Changing contact and perception in the Viking, Anglo-Saxon and Frisian World, 7<sup>th</sup>-11<sup>th</sup> Centuries </em>&nbsp;(aio RUG, 1-10-11/1-10-16 [0.6],&nbsp; De Boer/Theuws)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. T.G. Jasperse MA, UvA</td>
				<td>
					<em>Het culturele patronaat van Heinrich der L&ouml;we en Matilda van Engeland</em> (prom. UvA 1-2-2008/1-2-2011, Chavannes-Mazel/Van Welie)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. J.L. de Mol, UL</td>
				<td>
					<em>Theological discourse in the vernacular: sermons in Brussels 643-44</em> (UL, esr, 1-9-2010/1-9-2013, Van Anrooij/Warnar)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. M.H. Porck, UL</td>
				<td>
					<em>The Revered, the Rejected and the Ridiculed. The Many Faces of Old Age in Early Medieval England (700&ndash;1350)</em> (docentpromovendus UL, 02-02-2011/01-02-2016, Bremmer)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. M.C.L. Prot, UU</td>
				<td>
					<em>Who was Pseudo-Abdias? Linguistic setting and culrural context of the Virtutes Apostolorum</em> ((UU, aio, 1-9-2008/1-9-2012, Schrijver/Rose)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. drs. A.J.R. Rulkens, UvA</td>
				<td>
					<em>Monastic architecture during the reign of Louis the Pious: the influence of the ecclesiastical reforms of Benedict of Aniane (814-830)</em> (prom. UvA 1-9-2008/1-9-2012 (0.8) Bosman)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. drs. J. Smithuis, UL&nbsp;</td>
				<td>
					<p>
						<em>F</em><em>acties in Utrecht, ca. 1375-1425. Sociale achtergronden van politieke groepsvorming en geweld in een laat-middeleeuwse stad</em> (aio UL 15-2-2009/15-2-2012; Hoppenbrouwers/ van den Hoven van Genderen)&nbsp;</p>
				</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. J.A. Somers, UL</td>
				<td>
					<em>Women and the Written Word:&nbsp; Gender and Textual Culture in the Twelfth-Century Renaissance </em>(aio UL, 1-9-2011/1-9-2015, Bremmer/Kwakkel)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Dhr. Drs. R.J. Stapel, FA/UL &nbsp;</td>
				<td>
					<em>Cronike van der Duytscher Oirden </em>(prom. Fryske Ak.. 1-2-2008/1-2-2012 (Mol/Janse)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Drs. E Steinova</td>
				<td>
					<em>Marginal Scholarship. The Practice of Learning in the Early Middle Ages (c. 800-c. </em><em>1000): deelproject: Commentaren, glossenverzamelingen, encyclopedische kennisverzamelingen. </em><br />
					(aio Huygens.KNAW, 1-9-2011/1-9-2015, Teeuwen)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. Y.J.C. Vermijn, UvA</td>
				<td>
					<em>The Art of Glorification: the influence of the Chanson de Bertrand du Guesclin on the status of Du Guesclin as a French national hero</em> (prom. UvA, 1-9-2011)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. drs. S.E. de Vries UL</td>
				<td>
					<em>De gebeden bij de Gregoriusmis in de Lage Landen (1450-1550). Productie, verspreiding en gebruik in handschrift en druk</em> (aio UL 1-9-2007/1-9-2011, Van Anrooij)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. drs. J.L. Wessel, UvA</td>
				<td>
					<em>Getuigen van het gesproken woord? Performantie en interpunctie in hand-schriften met Middelnederlandse berijmde teksten </em>(prom. UvA, 1-9-2011/&hellip;)</td>
			</tr>
			<tr>
				<td>
					Mw. J.A. Weston MA, UL&nbsp;</td>
				<td>
					<em>Readers and their books in the Twelfth-Century Renaissance</em> (aio UL, 1-10-2010/1-10-2014, Bremmer/Kwakkel)</td>
			</tr>
		</tbody>
	</table>
</div>
<br />]]></description>
			<pubDate>Wed, 21 Sep 2011 23:04:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/members/leden]]></link>
		</item><item>
			<title>PhD- &amp; Rema- Opleiding</title>
			<description><![CDATA[<p>
	&nbsp;</p>
<p>
	For the English version, please see below.<br />
	<br />
	&nbsp;</p>
<h4>
	Opleidingsprogramma Onderzoekschool Medi&euml;vistiek 2011-2015</h4>
<p>
	Verdere uitwerking van het programma wordt mede bepaald door nadere afspraken tussen DLG en LOGOS over de omvang van het opleidingsaanbod van de scholen.</p>
<p>
	Actuele informatie over specifieke cursussen is onder &#39;Aparte activiteiten t.b.v. remastudenten&#39; te vinden.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h4>
	Doelstelling</h4>
<p>
	Het opleidingsprogramma van de onderzoekschool verzorgt de scholing van PhD Students en remastudenten op het terrein van de medi&euml;vistiek door:</p>
<ul>
	<li>
		het overdragen van (vaak lokaal niet beschikbare) expertise</li>
	<li>
		het bevorderen van interdisciplinariteit</li>
	<li>
		het in stand houden van een landelijk en internationaal netwerk</li>
	<li>
		het bieden van een kader voor een 4-jarig promotietraject.</li>
</ul>
<p>
	De school ziet het niet als haar taak om cursussen in andere dan specifiek op de medi&euml;vistiek gerichte vaardigheden aan te bieden. Wel acht de school zich medeverantwoordelijk voor de algemene wetenschappelijke ontwikkeling van de promovendus, alsmede zijn of haar toekomstperspectieven.</p>
<p>
	Behalve over disciplinespecifieke kennis en vaardigheden dient een medi&euml;vistisch onderzoeker te beschikken over competentie op de volgende terreinen:</p>
<ul>
	<li>
		geschiedenis en theorie van het vakgebied,</li>
	<li>
		bronnenkritiek,</li>
	<li>
		op meta-niveau reflecteren over het eigen onderzoek,</li>
	<li>
		plaatsen van het onderzoek in de internationale ontwikkelingen van het vakgebied,</li>
	<li>
		verslaglegging van de resultaten van het onderzoek en de communicatie daarvan aan een publiek van vakgenoten en aan belangstellenden</li>
</ul>
<p>
	Deze doelstellingen krijgen vorm in het volgende opleidingsprogramma:</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h4>
	Basisprogramma</h4>
<p>
	<strong>1. Atelier Theorie en Geschiedenis van het vak</strong> (studiemiddag aan de hand van zelf geschreven recensie van Peter Raedts, <em>De ontdekking van de middeleeuwen </em>(2011),&nbsp;fungeert tegelijkertijd als kennismakingsbijeenkomst)<br />
	Voor: promovendi aan het begin van hun aanstelling en remastudenten&nbsp;</p>
<br />
<div style="margin-left: 40px">
	<br />
	Tijdstip: 2e helft oktober<br />
	studielast: 1 ECTS<br />
	&nbsp;</div>
<p>
	<strong>2. Cursus Inleiding in de Middeleeuwse bronnen</strong><br />
	Voor: promovendi aan het begin van hun aanstelling en remastudenten<br />
	&nbsp;</p>
<p style="margin-left: 40px">
	Tijdstip: januari (4-daagse blokcursus), juni (2 terugkomdagen)<br />
	studielast: 4 ECTS<br />
	&nbsp;</p>
<p>
	<strong>3. Cursus Fundamenten van het eigen onderzoek</strong><br />
	Voor promovendi halverwege het tweede jaar van hun aanstelling<br />
	&nbsp;</p>
<p style="margin-left: 40px">
	Tijdstip: mei (2-daagse blokcursus), terugkomdag(en) in oktober<br />
	studielast: 3 ECTS<br />
	&nbsp;</p>
<p>
	<strong>4. Ph.D.-Conference&nbsp;</strong>(zo mogelijk te combineren met de Vlaamse &lsquo;doctorandidagen&rsquo;)</p>
<p>
	Voor: promovendi in het derde jaar van hun aanstelling<br />
	<br />
	Presentatie van drie kwartier in de vorm van een congresbijdrage, met reactie van een referent.<br />
	Publiek welkom (ook aanbevolen voor remastudenten, als toeschouwer, niet als deelnemer)</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<p style="margin-left: 40px">
	Tijdstip: periode maart/april<br />
	studielast: 4 ECTS<br />
	&nbsp;</p>
<p>
	<strong>5. Medi&euml;vistendag</strong></p>
<p>
	Doel: netwerk in stand houden, op de hoogte stellen van de recente ontwikkelingen in de medi&euml;vistiek</p>
<p>
	Ontmoetingsdag (i.s.m. de Vlaamse Werkgroep Medi&euml;vistiek)<br />
	voor alle Nederlandse en Vlaamse medi&euml;visten, met:</p>
<ul>
	<li>
		&eacute;&eacute;n of twee keynote voordrachten, waarvan &eacute;&eacute;n uit het buitenland.</li>
	<li>
		presentaties van (in elk geval de nieuwe) medi&euml;vistische onderzoeks-</li>
	<li>
		projecten, m.n. aan de deelnemende universiteiten</li>
	<li>
		korte presentaties van (in elk geval de zojuist begonnen) promovendi</li>
	<li>
		overzicht van mogelijke onderwerpen voor ateliers (zie hieronder)<br />
		&nbsp;</li>
</ul>
<p style="margin-left: 40px">
	Tijdstip: een vrijdag of zaterdag in oktober/november<br />
	studielast: 1 ECTS</p>
<p style="margin-left: 40px">
	totale studielast basisprogramma: 13 ECTS</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<h4>
	Overige opleidingsactiviteiten</h4>
<div>
	Naast het vaste basisprogramma voor alle medi&euml;vistische onderzoekers in opleiding biedt de school in een jaarlijks vari&euml;rende reeks activiteiten mogelijkheden tot verdere specialisatie en verdieping. Deze activiteiten zullen telkens op de bestaande vraag en behoefte toegesneden worden. Daarvoor worden in ieder geval de volgende activiteiten georganiseerd.<br />
	<br />
	<div>
		<strong>6. Ateliers</strong></div>
	<div>
		Als enkele promovendi/researchmasterstudenten (ten minste drie) behoefte hebben aan een specialistische cursus op een bepaald terrein, dan kunnen zij de school vragen deze aan te bieden. Daarbij wordt vooral gedacht aan het aanleren van vaardigheden (bijvoorbeeld paleografie, diplomatiek). Een andere mogelijkheid is het organiseren van een studiedag rond een bepaald specialisme, waarop de state of the art van een bepaald onderwerp wordt gepresenteerd, te denken valt aan stadsgeschiedenis, lichaamsgeschiedenis, history of reading, historiografie.</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		Leden en postdocs van de school hebben de mogelijkheid om zelf suggesties of een aanbod te doen.</div>
	<div>
		&nbsp;</div>
	<div>
		<strong>7. Masterclasses</strong></div>
	<div>
		Ad hoc te organiseren n.a.v. de beschikbaarheid van een aansprekende &lsquo;master&rsquo;. Bij de Masterclasses zal de nadruk liggen op het voeren van een wetenschappelijke discussie op hoog niveau, mogelijk aan de hand van recensies of korte papers. Ook kan worden gedacht aan een Masterclass recensie schrijven, het schrijven van een artikel etc.<br />
		<br />
		&nbsp;</div>
</div>
<div>
	<strong>8. Zomer en- winterscholen</strong></div>
<div>
	Hier gaat het om thema&#39;s die recent internationaal in de belangstelling zijn komen te staan of die belangstelling verdienen. Deze worden bij voldoende belangstelling opgezet, bij voorkeur in samenwerking met de Vlaamse universiteiten en wellicht andere buitenlandse partners. Zij fungeren als instrument voor internationalisering.<br />
	<br />
	<div>
		<strong>Voertaal</strong></div>
	<div>
		In de regel is de voertaal van de opleidingsactiviteiten (afhankelijk van de mogelijkheden van deelnemers en docenten) Nederlands of Engels.<br />
		<br />
		<div>
			<strong>Aparte activiteiten t.b.v. remastudenten</strong></div>
		<div>
			De meeste van de bovengenoemde opleidingsactiviteiten voor PhD&rsquo;s zijn ook opengesteld voor remastudenten (soms met een aangepaste opdracht).</div>
		<div>
			Na peiling van de behoeften van de lokale Graduate Schools en/of individuele remastudenten zullen cursussen en ateliers worden georganiseerd die zich richten op het bijspijkeren van specifieke medi&euml;vistische kennis en vaardigheden.</div>
		<div>
			&nbsp;</div>
		<div>
			<u>Utrecht Research Seminars Middeleeuws Latijn 2012</u></div>
		<div>
			De Research Master &#39;Ancient Medieval and Renaissance Studies&#39; in Utrecht biedt cursussen aan die ook open staan voor Masterstudenten en PhD-studenten van andere universiteiten. Deze zijn ook te vinden op: <a href="http://www2.let.uu.nl/cursuskrant/" target="_blank">http://www2.let.uu.nl/cursuskrant/</a></div>
		<div>
			1. &lsquo;From Eyewitness to Bloodwitness&rsquo;. De focus zal liggen op de textuele transmissie van apocryfe tradities van apostelen in de Latijnse Middeleeuwen. Studenten zullen met manuscripten werken. 7 februari-5 april 2012. Dinsdag 11-12.45 uur en donderdag 15.15-17 uur.</div>
		<div>
			&nbsp;7,5 ects. Meer informatie bij: h.g.e.rose@uu.nl.</div>
		<div>
			2. &lsquo;The Transmission of Ancient Texts in the Early Middle Ages&rsquo;. In dit seminar zullen de vragen hoe en waar teksten uit de Oudheid in de achtste en negende eeuw werden gekopieerd en wat de invloed en functie hiervan was centraal staan. Naast lezingen zijn een werkstuk en een bezoek aan de Universiteitsbibliotheek van Leiden onderdeel van het programma. 23 april- eind juni 2012. 7,5 ects. Meer informatie bij: mariken.teeuwen@huygens.knaw.nl</div>
		<div>
			3. &#39;Medieval Manuscripts&#39;. Studenten bestuderen in deze cursus samen met specialisten nog nooit eerder bestudeerde (fragmenten) van Middeleeuwse handschriften. Hierbij wordt getracht de fragmenten te localiseren, dateren en in de historische context te plaatsen. De resultaten vormen de basis van een catalogus en tentoonstellingen. 23 april-eind juni. Meer informatie bij: M.Mostert@uu.nl<br />
			&nbsp;</div>
	</div>
</div>
<h4>
	2011-2015 Training Programme</h4>
<p>
	&nbsp;</p>
<h4>
	Aims</h4>
<p>
	The Research School&rsquo;s training programme will provide training for PhD and Research Master&rsquo;s students in the field of Medieval Studies by:<br />
	- transferring expertise (which is often not locally available)<br />
	- promoting interdisciplinarity<br />
	- maintaining national and international networks<br />
	- providing a framework for a 4-year PhD programme.<br />
	&nbsp;<br />
	Although the School does not aim to offer courses in skills other than those specifically focusing on Medieval Studies, it does consider itself partly responsible for the general academic development of PhD students and their future perspectives.<br />
	&nbsp;<br />
	In addition to discipline-specific knowledge and skills, researchers in the field of Medieval Studies must have competences in the following areas:<br />
	- history and theory of the field<br />
	- source criticism<br />
	- meta-level reflection on their own research<br />
	- placing the research in the context of international developments in the field<br />
	- reporting research results and communicating them to an audience of peers and interested parties.<br />
	&nbsp;<br />
	These aims are fleshed out in the following training programme.<br />
	&nbsp;</p>
<h4>
	Basic programme</h4>
<p>
	&nbsp;<br />
	<strong>1. Atelier Theorie en Geschiedenis van het vak [Workshop: Theory and History of the Field]</strong><br />
	(training seminar on the basis of students&rsquo; own reviews of Peter Raedts, <em>De ontdekking van de middeleeuwen</em> (2011); this seminar also functions as an introductory meeting)<br />
	For: PhD students at the start of their appointment and Research Master&rsquo;s students<br />
	Time: second half of October&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;<br />
	student workload: 1 ECTS<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>2. Inleiding in de Middeleeuwse bronnen [Introduction to Medieval Sources] course unit</strong><br />
	For: PhD students at the start of their appointment and Research Master&rsquo;s students<br />
	Time:&nbsp; January (4-day block course), June (2 follow-up days)<br />
	student workload: 4 ECTS<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>3. Fundamenten van het eigen onderzoek [Foundations of Own Research] course unit</strong><br />
	For: PhD students half-way through the second year of their appointment<br />
	Time: May (2-day block course), October (follow-up day(s))<br />
	student workload:&nbsp; 3 ECTS<br />
	<br clear="all" />
	<strong>4. PhD Conference</strong><br />
	(if possible in combination with the Flemish &lsquo;doctorandidagen&rsquo;)<br />
	For: PhD students in the third year of their appointment<br />
	45-minute presentation in the form of a conference contribution, with referee responses.<br />
	Audience is welcome to attend (also recommended to Research Master&rsquo;s students &ndash; as audience, not as participants)<br />
	Time: March/April<br />
	student workload: 4 ECTS<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>5. Medi&euml;vistendag [Medieval Studies Day]</strong><br />
	Aim: to maintain a network, to provide information about recent developments in the field of Medieval Studies<br />
	&nbsp;<br />
	Meeting day in cooperation with the Vlaamse Werkgroep Medi&euml;vistiek [Flemish Medieval Studies Workgroup]<br />
	for all Dutch and Flemish Medieval Studies specialists, including:&nbsp;<br />
	- one or two keynote presentations, one of which by a foreign speaker<br />
	- presentations of research projects (including at least all new projects) in the field of Medieval Studies, in particular for the participating universities<br />
	- short presentations by PhD students (including at least all new students)&nbsp;<br />
	- overview of possible workshop topics (see below)<br />
	Time: a Friday or Saturday in October/November<br />
	student workload:&nbsp; 1 ECTS<br />
	&nbsp;<br />
	Total student workload of the basic programme: 13 ECTS<br />
	&nbsp;<br />
	&nbsp;</p>
<h4>
	Other training activities</h4>
<p>
	In addition to the standard basic programme for all PhD students in Medieval Studies, the School also offers a range of activities varying every year to provide possibilities for further specialization and in-depth study. These activities will always be tailored to the students&rsquo; needs and wishes, and will in any case include the following activities:<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>6. Workshops (&lsquo;Ateliers&rsquo;)</strong><br />
	If at least three PhD and/or Research Master&rsquo;s students are interested in a specialist course in a certain field, they may ask the School to provide such a course. This will mainly concern skills courses (for example palaeography). Another possibility is organizing a seminar day focusing on a certain specialism, during which current developments in the field of a particular topic are presented, for example urban history, history of the body, history of reading or historiography.<br />
	Members and postdocs of the School are welcome to make suggestions or offer to provide a workshop themselves.&nbsp;<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>7. Masterclasses</strong><br />
	Masterclasses can be organized on an ad hoc basis if and when an interesting &lsquo;Master&rsquo; (guest lecturer) is available. These Masterclasses will mainly emphasize high-level academic discussions, possibly on the basis of reviews or short papers. Masterclasses in writing reviews or articles are also possible.<br />
	&nbsp;<br />
	<strong>8. Summer and Winter Schools</strong><br />
	Summer and Winter Schools focus on themes that have recently received international attention or which deserve attention. They will be organized if there is sufficient interest, preferably in cooperation with Flemish universities and possibly with other partners abroad, which can then function as internationalization instruments.<br />
	&nbsp;</p>
<p>
	<strong>Language of instruction</strong></p>
<p>
	Depending on the students and lecturers, most training activities will be held in Dutch or English.<br />
	&nbsp;</p>
<p>
	<strong>Separate activities for Research Master&rsquo;s students</strong></p>
<p>
	Most of the training activities for PhD students listed above are also open to Research Master&rsquo;s students (possibly with adapted assignments).<br />
	On the basis of the needs and wishes expressed by the local Graduate Schools and/or individual Research Master&rsquo;s students, courses and workshops will be organized aiming to train specific knowledge and skills in the field of Medieval Studies.</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<div>
	<u>Utrecht Research Seminars Medieval Latin 2012</u></div>
<div>
	Research MA Students in Medieval Studies may be interested to know that they are welcome to follow courses on offer in the Utrecht Research Master Ancient, Medieval and Renaissance Studies (specialisation: Medieval Studies). The full list of courses can be found at: <a href="http://www2.let.uu.nl/cursuskrant/" target="_blank">http://www2.let.uu.nl/cursuskrant/</a>. PhD-students are also welcome to attend.</div>
<div>
	1. &lsquo;From Eyewitness to Bloodwitness&rsquo;. Focus is on the textual transmission of apocryphal traditions on the apostles in the Latin Middle Ages. Students will work from the manuscripts. 7 February-5 April 2012. Tuesday 11-12.45&nbsp; and Thursday 15.15-17.</div>
<div>
	&nbsp;7.5 ects. Information: h.g.e.rose@uu.nl.</div>
<div>
	2. &lsquo;The Transmission of Ancient Texts in the Early Middle Ages&rsquo;. In this course we will focus on the how and why of this phenomenon: which texts were copied where, by whom, for whom, and for what purpose? How did the ancient learned tradition change in the Middle Ages, and how did it influence medieval scholarship? The course will consist of a series of lectures, including at least one visit to the manuscript collection of Leiden University Library.</div>
<div>
	23 April- end of June 2012. 7.5 ects. Information: mariken.teeuwen@huygens.knaw.nl.</div>
<p>
	3. &#39;Medieval Manuscripts&#39;. Utrecht University Library possesses hundreds of fragments of medieval manuscripts, many of which come from book bindings. These fragments have never been studied. We will investigate them, trying to date and localise them and to write the history of the individual fragments. The results of our efforts will form the basis of a catalogue. We will also use our results in due course in a series of exhibitions. 23 April-end of June 2012. Information: M.Mostert@uu.nl.</p>]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Sep 2011 16:00:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/school/PhD-Rema-Opleiding]]></link>
		</item><item>
			<title>Lidmaatschap</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<img alt="Organisatie" class="image" src="http://medievistiek.webhosting.rug.nl/test/files/images/lidmaatschap.jpg" style="float: right; width: 120px; height: 150px; " />De school kent de volgende categorie&euml;n lidmaatschap:</p>
<ol>
	<li>
		<p>
			reguliere leden (onderzoekers verbonden aan een van de in de school deelnemende universiteiten)</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			geassocieerde leden (aan andere instellingen verbonden onderzoekers)</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			aspirantleden (researchmasterstudenten)</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			buitenleden</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			reguliere leden.</p>
	</li>
</ol>
<h4>
	I. reguliere leden</h4>
<p>
	Medi&euml;visten verbonden aan een van de in de school deelnemende universiteiten, van wie (een deel van) de onderzoekstijd door hun faculteit is ondergebracht bij de school.<br />
	<br />
	<strong>I a.</strong> hoogleraren, uhd&rsquo;s en universitair docenten in vaste dienst<br />
	<strong>I b.</strong> docenten en onderzoeksmedewerkers in tijdelijke dienst betaald uit de universitaire middelen<br />
	<strong>I c.</strong> postdocs, d.w.z., gepromoveerde medi&euml;visten met een tijdelijke aanstelling als postdoc (starting investigator, advanced investigator, fellow, pionier etc) bij een van de deelnemende universitaire instellingen betaald uit externe nationale of internationale middelen<br />
	<strong>I d.</strong> interne promovendi, d.w.z. promotiestudenten, aio&rsquo;s, oio&rsquo;s bursalen etc., met een onderzoeksobject op het terrein van de medi&euml;vistiek verbonden aan een van de in de school deelnemende universitaire instellingen, die (elementen uit) het opleidingsprogramma van de school volgen.<br />
	&nbsp;</p>
<h4>
	II. geassocieerde leden.</h4>
<p>
	Medi&euml;visten verbonden aan een niet in de school deelnemende faculteit of universiteit, aan extra-universitaire onderzoeksinstituten en erfgoedinstellingen van wie (een deel van) hun onderzoekstijd is geoormerkt voor onderzoek op het terrein van de medi&euml;vistiek.<br />
	<br />
	<strong>II a.</strong> hoogleraren, uhd&rsquo;s en universitair docenten in vaste dienst<br />
	<strong>II b</strong>. docenten en onderzoeksmedewerkers in tijdelijke dienst betaald uit de universitaire middelen<br />
	<strong>II c</strong>. postdocs, d.w.z., gepromoveerde medi&euml;visten met een tijdelijke aanstelling als postdoc (starting investigator, advanced investigator, fellow, pionier etc) bij een niet in de school deelnemende faculteit of universitaire instellingen, bij een onderzoeksinstituut of erfgoedinstelling, betaald uit externe nationale of internationale middelen<br />
	<strong>II d.</strong> externe promovendi, d.w.z.&nbsp;<br />
	- promotiestudenten, aio&rsquo;s, oio&rsquo;s bursalen etc., met een onderzoeksobject op het terrein van de medi&euml;vistiek verbonden aan een niet in de school deelnemende faculteit of universiteit, aan extra-universitaire onderzoeksinstituten en erfgoedinstellingen<br />
	- als zodanig aangemelde en geregistreerde promovendi die los van een werkkring een promotie op het terrein van de medi&euml;vistiek voorbereiden.<br />
	<strong>II e.</strong> leden van de Vlaamse Werkgroep Medi&euml;vistiek.<br />
	&nbsp;</p>
<h4>
	III. aspirantleden.</h4>
<p>
	<strong>III a</strong>. Studenten van Researchmasteropleidingen van in de school deelnemende universitaire instellingen<br />
	<strong>III b.</strong> Studenten van Researchmasteropleidingen van niet in de school deelnemende universitaire instellingen<br />
	&nbsp;</p>
<h4>
	IV. buitenleden</h4>
<p>
	<strong>IV a.</strong> Medi&euml;visten, ooit behorende tot de categori&euml;n 1 of 2, waarvan als gevolg van pensionering, vervroegde uittreding, verandering van werkkring of ontslag de relatie tot de instelling is be&euml;indigd, of waarvan als gevolg van de promotie de status van promovendus is be&euml;indigd, zonder te resulteren in een dienstverband aan een deelnemende instelling, maar die actief een bijdrage blijven leveren tot het vakgebied der medi&euml;vistiek.<br />
	<strong>IV b.</strong> Overige onderzoekers in binnen- en buitenland die, omdat zij een belangrijke bijdrage leveren tot het onderzoek of het onderwijs in de medi&euml;vistiek in het Nederlande taalgebied, zijn uitgenodigd tot de school toe te treden.<br />
	<strong>IV c.</strong> Overige onderzoekers, actief op het gebied van de medi&euml;vistiek, die op hun eigen verzoek door het bestuur tot de school zijn toegelaten.<br />
	&nbsp;</p>
<h3>
	Kosten</h3>
<ol>
	<li>
		<p>
			Voor reguliere leden zijn de basiskosten (informatievoorziening, administratie etc.) gedekt via de bijdrage van hun faculteit aan de onderzoekschool. Dat geldt voor de promovendi ook voor de deelname aan het basis-opleidingsprogramma van de school.&nbsp;</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			Geassocieerde leden (met uitzondering van de leden van de Vlaamse Werkgroep Medi&euml;vistiek) betalen met ingang van september 2011 &euro; 10 per persoon per jaar voor de basiskosten. Bij deelname aan opleidingsactiviteiten worden kosten in rekening gebracht.</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			Voor aspirantleden is de informatievoorziening gratis. Dat geldt voor subcategorie 3a ook voor deelneming aan (delen van) het basis-opleidingsprogramma; bij subcategorie 3b worden hiervoor kosten in rekening gebracht.&nbsp;</p>
	</li>
	<li>
		<p>
			Buitenleden: de subcategorie&euml;n a. en c. betalen &euro; 10 per persoon per jaar voor de basiskosten; subcategorie b. is als ge&iuml;nviteerde vrijgesteld van betaling.</p>
	</li>
</ol>
<p>
	Voor alle categorie&euml;n geldt dat voor deelname aan gedeelten van het opleidingsprogramma en de Medi&euml;vistendag niet voortvloeiend uit een onderwijsverplichting de per activiteit geldende re&euml;le kosten in rekening gebracht worden.</p>]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Sep 2011 15:58:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/school/lidmaatschap]]></link>
		</item><item>
			<title>Organisatie</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<img alt="Organisatie" class="image" src="http://medievistiek.webhosting.rug.nl/test/files/images/organisatie.jpg" style="float: left; width: 150px; height: 113px; " />In de landelijke Onderzoekschool Medi&euml;vistiek werken de onderzoekers op het gebied van de Middeleeuwen van zes Nederlandse universiteiten samen. De school verzorgt (in samenwerking met de lokale graduate schools van de universiteiten) de opleiding tot medi&euml;vistisch onderzoeker. Op het terrein van het onderzoek bevordert de school de samenwerking tussen vakgenoten in binnen- en buitenland, onder meer door een platform voor informatie-uitwisseling te bieden en de opzet van (vaak internationale) gemeenschappelijke onderzoeksaanvragen te stimuleren.<br />
	Door een digitale Nieuwsbrief houdt de school houdt zoveel mogelijk Nederlandse en Vlaamse medi&euml;visten die als onderzoeker actief zijn op de hoogte van haar activiteiten.&nbsp;<br />
	&nbsp;</p>
<h3>
	Deelnemende instellingen</h3>
<div>
	In de onderzoekschool participeren faculteiten en instituten van de volgende universiteiten:&nbsp;</div>
<ul>
	<li>
		<a href="http://www.rug.nl/corporate/index" target="_blank">Rijksuniversiteit Groningen</a></li>
	<li>
		<a href="http://www.leidenuniv.nl" target="_blank">Universiteit Leiden</a></li>
	<li>
		<a href="http://www.uu.nl" target="_blank">Universiteit Utrecht</a></li>
	<li>
		<a href="http://www.uva.nl" target="_blank">Universiteit van Amsterdam</a></li>
	<li>
		<a href="http://www.vu.nl" target="_blank">Vrije Universiteit Amsterdam</a></li>
	<li>
		<a href="http://www.ru.nl" target="_blank">Radboud Universiteit Nijmegen</a></li>
</ul>
<div>
	Daarnaast wordt samengewerkt met personen en instellingen van andere universiteiten (Universiteit van Tilburg, Erasmus Universiteit Rotterdam). Een regeling voor nadere samenwerking met de Vlaamse medi&euml;visten, zowel persoonlijk als institutioneel, wordt uitgewerkt.&nbsp;<br />
	&nbsp;</div>
<h3>
	Penvoering</h3>
<div>
	De Rijksuniversiteit Groningen treedt op als &lsquo;penvoerder&rsquo; van de school. Hier is dan ook het bureau van de school gevestigd, dat voor het bestuur de dagelijkse zaken behartigt:<br />
	<br />
	<table border="0" cellpadding="10" class="page">
		<tbody>
			<tr>
				<td style="width:50%;">
					<strong>Wetenschappelijk directeur:</strong><br />
					mw. prof. dr. C.G. (Catrien) Santing<br />
					<a href="http://medievistiek.nl/mailto:c.g.santing@rug.nl">c.g.santing@rug.nl</a></td>
				<td>
					<b><strong>Secretaris:</strong></b><br />
					dhr. drs. L.M. (Martin) de Ruite<br />
					<a href="http://medievistiek.nl/mailto:ozsmed@rug.nl">ozsmed@rug.nl</a><br />
					&nbsp;</td>
			</tr>
		</tbody>
	</table>
</div>
<h3>
	<br />
	Bestuur&nbsp;</h3>
<p>
	Het bestuur bestaat uit een vertegenwoordiger van elk van de universiteiten en &eacute;&eacute;n Vlaamse medi&euml;vist.<br />
	Het is als volgt samengesteld:<br />
	&nbsp;</p>
<table border="0" cellpadding="10" class="page">
	<tbody>
		<tr>
			<td style="width:50%;">
				<strong>UL</strong><br />
				dhr. prof.dr. R.H. Bremmer jr.<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:r.h.bremmer@hum.leidenuniv.nl">r.h.bremmer@hum.leidenuniv.nl</a><br />
				<br />
				<strong>RUG</strong><br />
				dhr. &nbsp;prof.dr. B.A.M. Ramakers<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:b.a.m.ramakers@rug.nl">b.a.m.ramakers@rug.nl</a><br />
				<br />
				<strong>UU</strong><br />
				prof. dr. M. Mostert<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:m.mostert@uu.nl" target="_blank">m.mostert@uu.nl</a><br />
				<br />
				<strong>UvA</strong><br />
				dhr. &nbsp;prof.dr. A.F.W. Bosman<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:a.f.w.bosman@uva.nl">a.f.w.bosman@uva.nl</a></td>
			<td>
				<strong>VUA</strong><br />
				dhr. prof.dr. K. Goudriaan<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:k.goudriaan@let.vu.nl">k.goudriaan@let.vu.nl</a><br />
				<br />
				<strong>RU</strong><br />
				dhr. prof.dr. P.G.J.M. Raedts, (voorzitter)<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:p.raedts@let.ru.nl">p.raedts@let.ru.nl</a><br />
				<br />
				<strong>Externe deskundige:</strong><br />
				dhr. prof.dr. P. Stabel, Universiteit Antwerpen<br />
				<a href="http://medievistiek.nl/mailto:peter.stabel@ua.ac.be">peter.stabel@ua.ac.be</a>
				<div>
					&nbsp;</div>
			</td>
		</tr>
	</tbody>
</table>
<p style="color:rgb(215,12,12);font-size:16px;font-weight:normal;padding-top:4px;padding-right:4px;padding-left:4px;padding-bottom:10px;margin-bottom:0px;margin-left:-.5ex;font-family:'Times New Roman', serif;">
	Commissie Onderwijs en Onderzoek&nbsp;</p>
<div>
	<div>
		De Commissie Onderwijs en Onderzoek adviseert het bestuur. Ook in deze commissie zijn alle</div>
	<div>
		deelnemende universiteiten vertegenwoordigd.<br />
		De COO is als volgt samengesteld:&nbsp;<br />
		<br />
		<table border="0" cellpadding="10" class="page">
			<tbody>
				<tr>
					<td style="width:50%;">
						<strong>UL</strong><br />
						dhr. dr. A. Janse (voorzitter)<br />
						<a href="http://medievistiek.nl/mailto:ajanse@hum.leidenuniv.nl">ajanse@hum.leidenuniv.nl</a><br />
						<br />
						<strong>RUG </strong><br />
						dhr. prof.dr. P.G. Bossier<br />
						<a href="http://medievistiek.nl/mailto:p.g.bossier@rug.nl">p.g.bossier@rug.nl</a><br />
						<br />
						<strong>UU</strong><br />
						dhr. dr. A.J. van den Hoven van Genderen<br />
						<a href="http://medievistiek.nl/mailto:a.j.vandenhovenvangenderen@uu.nl">a.j.vandenhovenvangenderen@uu.nl</a></td>
					<td>
						<strong>UvA</strong><br />
						dhr. dr. J. Koopmans<br />
						<a href="http://medievistiek.nl/mailto:j.koopmans@rug.nl">j.koopmans@rug.nl&nbsp;</a><br />
						<br />
						<strong>VUA</strong><br />
						dhr. prof. dr. W. Goris<br />
						<a href="http://medievistiek.nl/mailto:w.goris@ph.vu.nl">w.goris@ph.vu.nl</a><br />
						<br />
						<strong>RU</strong><br />
						dhr. prof.dr. P.J.J.M. Bakker<br />
						<a href="http://medievistiek.nl/mailto:pbakker@phil.ru.nl">pbakker@phil.ru.nl</a></td>
				</tr>
			</tbody>
		</table>
	</div>
</div>
<h3>
	Promovendi-vertegenwoordiging</h3>
<div>
	Enkele door de promovendi gekozen vertegenwoordigers wonen de vergaderingen van de COO bij:&nbsp;</div>
<ul>
	<li>
		dhr R.A.A. (Rudolf) Bosch MA (RUG),&nbsp;<a href="http://medievistiek.nl/mailto:r.a.a.bosch@rug.nl">r.a.a.bosch@rug.nl</a></li>
</ul>
<ul>
	<li>
		dhr. G. (Gerard) Bouwmeester MA (UU),&nbsp;<a href="http://medievistiek.nl/mailto:g.bouwmeester@uu.nl">g.bouwmeester@uu.nl</a></li>
</ul>
<ul>
	<li>
		mw. drs A.M.H. (Anne) Huijbers (RU), <a href="http://medievistiek.nl/mailto:a.huijbers@let.ru.nl" target="_blank">a.huijbers@let.ru.nl</a></li>
</ul>
<br />]]></description>
			<pubDate>Tue, 20 Sep 2011 15:57:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/school/organisatie]]></link>
		</item><item>
			<title>Vacatures</title>
			<description><![CDATA[<p>
	<strong>Promotieplaats University of St Andrews</strong></p>
<p>
	<br />
	Promotieplaats in het kader van hetonderzoeksproject &#39;Scotland and Flemish People&#39;, gefinancierd door het P F Charitable Trust.<br />
	Meer informatie kan op de <a href="http://www.st-andrews.ac.uk/ishr/Flemish/studentship.htm" target="_blank">website</a> gevonden worden. Informatie kan ook worden verkregen bij Professor Roger Mason: ram@st-andrews.ac.uk</p>
<p>
	&nbsp;</p>
<p>
	<strong>Voltijds promotieplaats bij Ruusbroecgenootschap</strong></p>
<p>
	Voltijds projectmedewerker in het kader van het FWO-onderzoeksproject Auteurschap, compositie en tekstuele samenhang van drie zestiende-eeuwse mystieke teksten: Die evangelische peerle, Van den tempel onser sielen, de Arnhemse mystieke preken. Een stylometrische benadering (looptijd 1/4/2012-31/03/2016)</p>
<p>
	<br />
	Profieleisen:</p>
<p>
	- master Nederlandse Taal- en Letterkunde, of een andere relevante discipline met aantoonbare competentie op het onderzoeksgebied</p>
<p>
	- onderzoeksgerichte attitude</p>
<p>
	- bewezen competentie in Middelnederlandse geestelijke letterkunde en aantoonbare interesse voor gebruik van computationele technieken OF bewezen competentie in gebruik van computationele technieken en aantoonbare interesse voor de interpretatie van Middelnederlandse geestelijke letterkunde</p>
<p>
	- in staat zijn publicaties te lezen in het Engels, Duits, en Frans</p>
<p>
	- kennis van Latijn strekt tot aanbeveling</p>
<p>
	Voor meer informatie:<br />
	prof. dr. Kees Schepers</p>
<p>
	Ruusbroecgenootschap</p>
<p>
	Universiteit Antwerpen</p>
<p>
	tel. +32 (0)3 265 57 92</p>]]></description>
			<pubDate>Sat, 01 Jan 2011 21:47:00 +0000</pubDate>
			<link><![CDATA[http://medievistiek.nl/vac/vacatures]]></link>
		</item></channel>
</rss>
